Toespraak van minister Labille over beleidscoherentie op de Staten-Generaal van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking

Datum: 07 mei 2013

Heren Ministers-Presidenten,
Beste collega’s,
Dames en heren,

Deze ochtend haalde ik tijdens de opening van de Staten-Generaal aan welke sleutelrol de beleidscoherentie voor ontwikkeling speelt, zowel voor de toekomst van de ontwikkelingssamenwerking als voor het centrale debat van vandaag, het ontwikkelingskader na 2015.

Ik weet dat ik niet de enige ben die prioritair aandacht besteedt aan de beleidscoherentie voor ontwikkeling, omdat deze vraag ook centraal staat voor de Gemeenschappen en Gewesten, en ik dank u van harte, beste collega’s, dat u hier vandaag wou zijn om dit te bespreken.

Zoals u weet was de voorbije editie van de Staten-generaal van de Ontwikkelingssamenwerking gewijd aan de Beleidscoherentie voor ontwikkeling, toen mijn voorganger Paul Magnette het debat lanceerde.

Aangezien hij de wens hiertoe kenbaar had gemaakt, wil ik in het kader van mijn mandaat de opvolging waarborgen van dit omvangrijke werf, die als doel heeft te waarborgen dat het Belgisch beleid coherent is met de ontwikkelingsdoelstellingen.

Om die reden biedt deze zitting ons de kans een balans op te maken van de vooruitgang die sinds vorig jaar terzake geboekt werd en van de uitdagingen die we nog moeten aangaan.

Sta me toe deze bespreking aan te gaan door u in een notendop de voornaamste vorderingen te schetsen met betrekking tot de Belgische federale Ontwikkelingssamenwerking.

Eerst en vooral werd op 19 maart 2013 de nieuwe wet met betrekking tot de Belgische ontwikkelingssamenwerking goedgekeurd. Ze moderniseert het wettelijke kader van onze samenwerking door ze aan te passen aan de nieuwe internationale paradigma’s, waaronder onder andere de beleidscoherentie voor ontwikkeling.

Ze definieert zo de beleidscoherentie voor ontwikkeling als een proces dat wil verzekeren dat de doelstellingen en resultaten van het ontwikkelingsbeleid van de federale regering niet tegengewerkt worden door het beleid van deze overheid op andere domeinen die impact hebben op de ontwikkelingslanden, en dat deze andere beleidsdomeinen waar mogelijk de ontwikkelingsdoelstellingen steunen.

Met de nieuwe wet krijgt de zoektocht naar een maximale coherentie van de verschillende domeinen van het Belgische beleid met betrekking tot de ontwikkeling een centrale plaats binnen de doelstellingen van de federale Belgische ontwikkelingssamenwerking.

Bovendien legt de wet een voorafgaandelijk onderzoek op naar de impact van het beleid van de federale regering op ontwikkeling.

Om dit instrument te operationaliseren, is een dergelijk onderzoek in het kader van de administratieve vereenvoudiging momenteel het voorwerp van een integratieproces met de andere impactanalyses van bestaande reglementeringen op federaal niveau.

Per slot van zaken legt de nieuwe wet de basis van de opstelling van een Belgisch institutioneel mechanisme dat de coherentie van het Belgische beleid voor ontwikkeling kan waarborgen.

Ze bepaalt drie grote elementen als schakel van dit mechanisme:

  • een interministeriële conferentie om het politieke engagement en de definiëring van de beleidsprioriteiten van de regeringen te waarborgen;
  • een interdepartementale commissie om de opvolging en de coördinatie tussen de administraties te verzekeren;
  • een onafhankelijk overlegorgaan om de nodige evaluaties te verrichten en het debat rond de PCD te voeden.

Het overwogen mechanisme houdt rekening met de besprekingen van de werkgroep, die met mijn administratie na de Staten-Generaal van vorig jaar werd samengesteld, en met de experten van de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking om over deze vraag na te denken.

Mijn voorstel is overigens in grote mate geïnspireerd door de aanbevelingen van de OESO en van de verbintenissen op EU-niveau rond institutionele praktijken voor de bevordering van de beleidscoherentie voor ontwikkeling.

Ten eerste, de ministeriële verbintenis van de OESO (juni 2008) “inspanningen na te streven opdat ontwikkelingskwesties in aanmerking zouden genomen worden in het geheel van relevante beleidsdomeinen, onder andere middels doorgedreven impactanalyses en een betere coördinatie tussen de beleidsdomeinen”.

Dan, de goede institutionele praktijken die de Raad van de OESO (2010) identificeerde, die aanbevelen om:

  • de PCD op het niveau van de voltallige regering te bevorderen door een bijzondere verbintenis van de Minister van Ontwikkelingssamenwerking;
  • en op 3 pijlers te steunen: het politieke engagement, de coördinatie van het beleid en de analyse en opvolging van alle beleidsdomeinen die een impact hebben op de ontwikkeling.

Bovendien schrijft het Verdrag over de werking van de EU (2010) in zijn artikel 208 de PCD in en stelt het dat “de Unie rekening houdt met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking in de uitvoering van beleidsdomeinen die geacht worden een invloed te hebben op de ontwikkelingslanden”.

Met betrekking tot de definitie van de actiedomeinen, baseert het overwogen mechanisme zich op het EU-kader die de PCD in vijf prioritaire actiedomeinen beoogt: handel en financiën, klimaatverandering, voedselzekerheid, migratie en veiligheid.

Tot slot beval het Development Assistance Committee (DAC) van de OESO België aan belangrijke inspanningen te leveren rond een beter begrip en de sensibilisering om elke verwarring te vermijden tussen de beleidscoherentie voor ontwikkeling en de coördinatie tussen de actoren die ontwikkelingshulp brengen.

Het DAC beval ook aan om “een principeverklaring [uit te werken], bevestigd op het allerhoogste beleidsniveau, die het engagement van alle ministers [bevestigt] voor beleidscoherentie ten dienste van ontwikkeling [en die] bepaalt hoe dit zal bevorderd worden en alle gouvernementele entiteiten en het breder publiek [beter doen begrijpen] wat beleidscoherentie ten dienste van ontwikkeling werkelijk inhoudt”.

Na de aanname van de wet bestaat de volgende stap in dit proces, in overleg met de gewesten en gemeenschappen, uit de oprichting van een interministeriële conferentie voor de beleidscoherentie voor ontwikkeling, om een politiek engagement in die zin te waarborgen op het niveau van onze regeringen en om de gemeenschappelijke prioriteiten terzake te definiëren.

Om de opvolging en de coördinatie tussen de betrokken administraties te waarborgen, zal ik daarna de oprichting van een interdepartementale commissie voorstellen.

Er wordt momenteel gewerkt aan het overlegorgaan dat in de wet wordt overwogen, en dat een federaal karakter heeft, en ik hoop dat het in de loop van dit jaar wordt opgericht.

Dit zijn de grote lijnen de prioriteiten die ik wens uit te tekenen, in de voortzetting van wat mijn voorganger opstartte.

Het gaat om een langdurig proces dat zich op de lange termijn inschrijft. Ik hoop dat we elkaar volgend jaar tijdens de Staten-generaal zullen terugzien, om een balans op te maken van de oprichting van dit mechanisme en van zijn eerste vorderingen.

En nu geef ik met veel genoegen het woord aan mijn collega’s die de Gewesten en Gemeenschappen vertegenwoordigen, die, zoals ik al zei, hier ook erg actief rond zijn.