14-18 : het conflict vanuit diplomatiek standpunt

Datum: 14 augustus 2014

De goden balen van ons, (…),
en alles zinkt elke dag wat dieper weg.
Wees bedacht op een wrede toekomst.
Maar het ergste dat komt, komt onverhoeds.
Palladas, Grieks dichter, 4e en 5e eeuw van onze tijdrekening

 ‘Ik ben geen crimineel, want ik heb een schurk uitgeschakeld. Het leek me terecht.’ Dat zijn de woorden die Gavrilo Princip, de moordenaar van de Oostenrijks-Hongaarse kroonprins, sprak tegen zijn rechters, op 12 oktober 1914. Luchtige woorden voor de pleger van de aanslag die wordt verondersteld de oorzaak te zijn van een wereldconflict dat uitdraaide op miljoenen doden, de val van vier keizerrijken en het einde van een beschaving.


De Servische nationale feestdag

Op 27 juni 1914, de avond voor die rampzalige aanslag, waren Princip en vijf van zijn makkers samengekomen rond het graf van de Servische nationalist Bogdan Zerajic, en groeide hun vastberadenheid om aartshertog Frans Ferdinand om te brengen. Servië had hun de wapens en springstoffen geleverd, hetzij rechtstreeks, hetzij via de terreurbeweging De Zwarte Hand, aangevoerd door kolonel Dimitrijevic, het hoofd van de Servische geheime dienst. In Bosnië, dat in 1908 officieel geannexeerd was door het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk, woonden namelijk voor de helft Serviërs. 28 juni is voor Servië geen dag als een andere; het is dan Vidovan, de nationale feestdag die de Slag van Kosovo Polje (Slag van het Merelveld, 1389) herdenkt, waarbij het overwonnen Servië vijf eeuwen lang onder het Ottomaanse juk zou komen. Een dag van rouw dus maar ook van patriottische vervoering door de nagedachtenis aan de heldendaad van ridder Obilc, die heimelijk het vijandelijk kamp wist binnen te dringen en de sultan te doden. Maar moesten de jonge samenzweerders  zich daarom de reïncarnatie van de nationale held voelen …?

sarajevo-ferdinand


Een eerste aanslag mislukte

Hoe dan ook, op 28 juni stonden drie van hen – de anderen waren ervanonder gemuisd – langs het parcours van het gevolg, dat onvoorzichtigheidshalve door de pers was vrijgegeven. Omdat het bovendien prachtig weer was, verplaatsten de aartshertog en zijn gemalin zich in een open wagen, waar dan nog de keizerlijke vlag boven uitstak. De eerste terrorist verstijfde van schrik toen hij de politie opmerkte en trok niet eens zijn wapens. De tweede gooide een bom, die stuiterde op de kap van de auto. Het prinsenpaar bleef ongedeerd, maar de explosie maakte wel slachtoffers onder het gevolg. Toch ging de receptie op het stadhuis door. Na afloop wenste de aartshertog zijn gewonde officieren in het ziekenhuis te gaan bezoeken. Het gevolg kwam weer op gang, maar de voorste auto reed verkeerd.


Twee geweerschoten die miljoenen slachtoffers hebben gemaakt!

Generaal Potiorek, de militair gouverneur van Sarajevo, merkte de vergissing op en deed de auto’s stoppen, op twee passen van Gavrilo Princip, die de gelegenheid aangreep om twee maal te vuren, twee keer raak, want beide echtgenoten waren dodelijk getroffen. Aartshertogin Sophie Chotek stierf vrijwel meteen, haar gemaal even later. De nationale obsessie, die hier een radicaal en tragisch gezicht kreeg, was op een complexe manier verweven met het spel der grote mogendheden: de uitgesproken geopolitieke ambities van Rusland, onder het mom van panslavisme; de lappendeken van volkeren in Oostenrijk-Hongarije, met hun nationalistische verzuchtingen die overal de kop opstaken (in Bohemen, Kroatië, Slavonië, Galicië, Hongarije …), dat net geneigd was de crisis in Sarajevo aan te grijpen om de middelpuntvliedende krachten te stoppen.

gavrilo_princip_sudjenje 


Een crisis als alle andere?

De crisis in de zomer 1914 had een regionaal conflict kunnen blijven, beperkt tot de Balkan. Andere, even of zelfs ergere, crisissen waren voorafgegaan, zonder nochtans tot een wereldbrand te leiden:

  • De Tangercrisis (1905): een internationale crisis tussen de Europese mogendheden over de kolonisering van Marokko, die vooreerst werd beslecht op de Conferentie van Algeciras, waar Duitsland het ontslag vroeg van de onafzetbare Franse minister van Buitenlandse Zaken Théophile Delcassé. Aanleiding was een toespraak van keizer Willem II op 31 maart 1905, waarin hij zich afzette tegen de invoering van een soort Frans protectoraat over Marokko en een ‘vrije en onafhankelijke’ staat eiste om de Duitse belangen te vrijwaren. Het was een van de eerste crisissen begin 20e eeuw. Ze verhoogde de spanning die zou leiden tot de Eerste Wereldoorlog en ze werd gevolgd door de Agadircrisis in 1911.

  • De Agadircrisis (1911): begin 20e eeuw maakte Frankrijk, dat sinds 1830 een koloniaal bewind voerde in Algerije, zich zorgen over de veiligheid van de grens met Marokko, waar het op zat te azen.  Het koninkrijk was een van de weinige landen in Afrika die nog niet waren gekoloniseerd. Meerdere Europese mogendheden lonkten ernaar, niet het minst Frankrijk, maar ook Duitsland, dat meende zijn koloniale achterstand te moeten inhalen. In 1904 sloten Frankrijk en Groot-Brittannië de Entente Cordiale tegen Duitsland, een akkoord waarbij Frankrijk Groot-Brittannië de vrije hand gaf in Egypte en in ruil een protectoraat mocht instellen in Marokko.  In maart 1905 kwam keizer Willem II in Tanger zijn aanspraken op Marokko nog ’s duidelijk maken en ontmoette hij sultan Moulay Abd al-Aziz. Het is de coup de Tanger, die leidde tot  spanningen tussen de Europese grootmachten. Om die te bedaren werd in 1906 een internationale conferentie in Algeciras belegd. Die bepaalde dat Duitsland inzage kreeg in Marokkaanse aangelegenheden terwijl Frankrijk en Spanje in Marokko specifieke rechten verwierven inzake politie- en bankenkwesties.

  • De Eerste Balkanoorlog (18 oktober - 3 december 1912) stelde de Balkanliga (Servië, Bulgarije, Griekenland en Montenegro) tegenover het Ottomaanse Rijk. De numeriek superieure legers van de Balkanstaten behaalden algauw de overwinning. Op het einde van die oorlog werden zo goed als alle voormalige Europese territoria van het Ottomaanse Rijk verdeeld onder de lidstaten van de Balkanliga. Ondanks zijn successen was Bulgarije ontstemd over de opdeling van Macedonië. Turkije verloor al zijn territoria in Europa (behalve Oost-Thracië).

  • De Tweede Balkanoorlog (29 juni - 10 augustus 1913) was een conflict tussen Bulgarije en de andere Balkanstaten, waarbij het grondgebied van Servië werd uitgebreid en een onafhankelijk Albanië opgericht, dat Servië de uitweg naar zee versperde. 


Gevaarlijke bondgenootschappen

Voeg bij die ogenblikken van extreme spanning die het ergste deden vermoeden nog de militaire bondgenootschappen afgesloten tussen de landen:

Enerzijds de Driebond, die sinds 1882 Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië verenigde, en anderzijds de in 1907 gesloten Triple Entente tussen Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland. Duitsland vreesde met dit bondgenootschap te worden ingesloten door Rusland aan de ene en Frankrijk en Groot-Brittannië aan de andere zijde.

Al deze gebeurtenissen verklaren de vage ongerustheid die vóór de oorlog heerste. In de lente en vroege zomer van 2014 leek er nochtans geen vuiltje aan de lucht, zodat iedereen verrast leek door het uitbreken van de vijandelijkheden. Talrijke historici hebben zich afgevraagd waarin de crisis van Sarajevo verschilde van de  vorige, dat ze het vuur aan de lont heeft gestoken. Maar hun antwoorden lopen uiteen.

Wij van onze kant gaan de getuigenissen, indrukken en rapporten aan de lokale pers sprokkelen van onze diplomaten op post in de hoofdsteden van de belangrijkste landen in het conflict tussen mei en augustus 1914, dus voor en na de aanslag in Sarajevo. 

 

Internationale ontspanning

Op 2 mei 1914 verklaarde troonopvolger Frans Ferdinand, die toen nog maar enkele weken te leven had, in Boedapest in een zeer korte toespraak: "Dat er een aanzienlijke ontspanning kan worden vastgesteld in de internationale situatie: de perfecte unie tussen de Monarchie (nvdr. het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk) en de andere Staten, met het oog op de instandhouding en de consolidatie van de vrede in Europa".  En graaf Berchtold, Oostenrijks minister van Buitenlandse Zaken, verklaarde: "Dat de banden met Rusland van blijvend vriendschappelijke aard zijn. Gezien de duidelijk vredelievende neigingen van het Tsarenrijk." Hij vermeldt eveneens "de wens van de Franse republiek om met Oostenrijk-Hongarije wederzijdse vriendschappelijke betrekkingen te onderhouden waaraan wij steeds een aanzienlijk politiek belang hebben gehecht vanuit het oogpunt van de vreedzame ontwikkeling van het internationale leven." De hooghartige toon van de graaf, wanneer hij het heeft over Servië, gaat niet onopgemerkt voorbij aan onze vertegenwoordiger in Belgrado (nvdr. hoofdstad van het Servische koninkrijk): "Wanneer hij het heeft over het kleine koninkrijk aan de Donau, blijft de spreker trouw aan zijn hooghartige arrogantie die de traditie is bij alle hoogwaardigheidsbekleders van de keizerlijke kanselarij, wanneer ze de politieke relaties willen schetsen tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië." De schrijver van het voorgaande, spreekt ook over de reacties in de Servische pers die "met recht, en niet zonder enige ironie, wijst op het aanzienlijk verschil dat er steeds bestaat tussen de welwillende en vriendschappelijke publieke verklaringen, waar men op de Ballplatz (nvdr. de ambtswoning van de Oostenrijks-Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken) kwistig mee omspringt, en de vijandelijke gedragingen waarin dit vriendschappelijk geachte beleid wordt geconcretiseerd".

Baron Beyens

De verschrikkingen van het slagveld

Diezelfde 2e mei, in Parijs, besteedt de krant L'Humanité veel aandacht aan de 1 meitoespraken van de dag ervoor. Daarvan onthouden we dat op de tribune van de grote Wagram-zaal tijdens de 1 meibijeenkomst "kameraad Riebké, afgevaardigde van de vakbondscentrale (…) de broederlijke groet brengt van tweeënhalf miljoen georganiseerde Duitse arbeiders. En hij schreeuwde dat aan de andere kant van de grens dat leger van arbeiders met het onze verbroedert in eenzelfde strijd en streeft naar hetzelfde ideaal. En dit gaat niet enkel over ons volk van arbeiders en socialisten, zelfs de immense meerderheid van de Duitse natie laat zijn afgunst blijken over de slagvelden. De kreet: Weg met de oorlog! weerklinkt overal en uit naam van het Duitse werkvolk roep ik: Weg met de oorlog! Deze woorden doen een luid applaus losbarsten. (…) Kameraad Jocan, afgevaardigde van de Belgische vakbondscentrale, brengt dezelfde groet, uit dezelfde hoop en schetst hetzelfde ideaal. Ook hij geeft uiting aan zijn afschuw voor oorlog en doet dat met een indrukwekkende kracht. Hij schetst vervolgens in grote lijnen de arbeidersorganisatie die met de dag groter wordt." Maar ondanks deze duidelijke standpunten zien we dat in alle landen de nationale solidariteit de overhand neemt op de internationale solidariteit. En in alle landen zien we ook de socialisten oorlogskredieten goedkeuren. Zo schaart de grote Belgische socialist Emile Vandervelde, die voorzitter was van de socialistische Internationale, zich achter de beslissing om weerstand te bieden bij de invasie van ons grondgebied door Duitse troepen, in de ochtend van 4 augustus 1914, een flagrante schending van onze neutraliteit. In 1916 stapt hij in de regering van "heilige eenheid".

Opmerkelijk pacifistische verklaringen

In zijn nummer van april-mei 1914 belicht het tijdschrift La Politique Etrangère een zorgwekkend citaat van de Franse president Raymond Poincaré: "De complexiteit van de problemen die een nabije toekomst ons kan brengen, maakt een algemene eensgezindheid noodzakelijk, wil men er zeker van zijn dat de onvermijdelijke tegenstrijdigheid van belangen vroeg of laat niet ontaardt in tegenstellingen en conflict." De media daarentegen laten meer optimistische geluiden horen. Het openingsartikel heeft betrekking op de Triple Entente. Daarin staat te lezen dat de "populariteit van de Entente cordiale, zowel in Frankrijk als in Engeland, voortaan niet meer ter discussie staat. Het enthousiasme waarmee de Parijse bevolking de Britse vorsten onthaalde, was zodanig groot dat zelfs onze tegenstanders dit niet kunnen negeren.  In dit opzicht is de reikwijdte van het koninklijk bezoek zeer aanzienlijk, omdat men in het buitenland nog overtuigd was van de historische rancunes van de Franse publieke opinie tegen Albion; men dacht dat onze sentimentaliteit de overhand zou krijgen over onze belangen; men vergat daarbij echter dat bij ons een nieuwe generatie was opgestaan, bewust van een aantal praktische noodzakelijkheden, en getroffen door dit onmiskenbare feit: de perfecte loyauteit waarmee Engeland al 10 jaar lang het akkoord van 1904 had toegepast." En over de Triple Alliance "de drie regeringen (nvdr. de Franse, Britse en Russische) hebben eindelijk ingezien hoe belangrijk het is om deze embryonale en onvolkomen organisatie bij te sturen. (…) Ze beslisten om de diplomatieke organen van de drie landen veel beter op elkaar af te stemmen en een fermer beleid af te spreken in het Middellandse Zeegebied en Klein-Azië, als antwoord op de Triple Alliance (Duitsland, Oostenrijk en Italië) die haar tentakels uitspreidt tot in het Oosten. Dat waren, uiteraard, de onderwerpen van de gesprekken die Sir Edward Grey (nvdr. Brits minister van Buitenlandse Zaken) en Gaston Doumergue (nvdr. Frans premier en minister van Buitenlandse Zaken) vorige week hadden in de Quai d'Orsay. Deze metamorfose van de Triple Entente, die volop zou gaan spelen nadat de Engels-Russische conventie van 1907 werd herzien, bepaalt de echte dimensie van de reis van de Engelse vorsten en van het bezoek van Poincaré aan Sint-Petersburg. Deze alliantie vormt een nieuwe waarborg op vrede, omdat ze opnieuw voor evenwicht zorgt in de invloeden en krachten die leken te verschuiven ten nadele van de Triple Entente door het diplomatieke en militaire gemanoeuvreer van de Triple Alliance, zoals de opmerkelijk pacifistische uitlatingen deden vermoeden van Von Jagow (nvdr. Duits minister van Buitenlandse Zaken) in de Reichstag en van graaf Berchtold voor de Oostenrijkse delegaties." Sergej Sazonov, Russisch imperiaal minister van Buitenlandse Zaken, verklaart op 23 mei, voor de Doema (nvdr. de Staatsdoema uit het Russische keizerrijk is de wetgevende vergadering van het keizerrijk. De Doema kwam tot stand in de nasleep van de Russische revolutie van 1905. Ze is het Lagerhuis van het Russische Rijk, en staat tegenover het Hogerhuis, de Staatsraad van het Rijk. Deze toegeving vanwege de Russische machthebbers, maakt van Rusland een constitutionele maar niet-parlementaire monarchie, vermits de minister, die wordt benoemd door de keizer, niet afhangt van de wetgevende vergadering.) : "De gunstige oplossing van de Balkancrisis werd in grote mate mogelijk gemaakt door de unie van de Mogendheden van de Triple Entente (...) Rusland rekent op de onwrikbare alliantie met Frankrijk en op de vriendschap met Groot-Brittannië. We benadrukken eveneens het belang van de Frans-Russische alliantie, omdat deze de afgelopen 20 jaar voldoende bewijs heeft geleverd van haar doeltreffendheid. De overtuiging van de noodzaak van haar bestaan voor het welzijn van deze beide Mogendheden is diep geworteld in het bewustzijn van de verbonden volkeren. Het nakende bezoek, deze zomer, van de heer Poincaré, biedt een nieuwe kans om de hartelijke gevoelens tot uiting te brengen die er bestaan tussen Rusland en Frankrijk." Afgaande op deze verklaringen, lijkt er dus geen vuiltje aan de lucht.  Dat blijkt ook uit de indrukken van Winston Churchill in zijn memoires: "De lente en zomer van 1914 werden in Europa gekenmerkt door een uitzonderlijke rust". Een rust die op dramatische wijze zou verstoord worden op 28 juni!

De driejarenwet

Op 14 mei drukt Gottlieb von Jagow, Duits minister van Buitenlandse Zaken, in de Reichstag (nvdr. het parlement) de wens uit "om met de buren uit het Westen (nvdr. Frankrijk en Engeland) overeenkomsten af te sluiten die erop gericht zijn mogelijke conflicten te vermijden." Commentaar van onze diplomaat: "Hij is zo geslepen om verzoenende taal te spreken, net na de Franse verkiezingen, om de nieuwe radicale socialistische meerderheid te paaien, en te overtuigen van de nutteloosheid van de wet op de driejarige dienstplicht door de hoop op een Frans-Duitse toenadering (nvdr. de "driejarenwet" is een Franse wet uit 1913 die de duur van de militaire dienstplicht van twee naar drie jaar brengt met de bedoeling het Franse leger voor te bereiden op een eventuele oorlog met Duitsland. De Fransen zijn als het ware geobsedeerd door de demografische macht van Duitsland, 40 miljoen Fransen tegenover 67 miljoen Duitsers, wat aanleiding gaf tot verhitte debatten over de verlenging van de militaire dienstplicht naar drie jaar. Duitsland, van zijn kant, voelt zich bedreigd door insluiting.).
Met betrekking tot de wet op de duur van de militaire dienstplicht, verklaart de nieuwe premier (nvdr. bij de regeringsvorming op 13 juni), René Viviani, in de Kamer van afgevaardigden "dat het niet volstaat dat onze voorbereidende plannen worden goedgekeurd; ze moeten ook in de praktijk rendabel blijken. (….) Er is niet één regering die zich kan onttrekken aan de plicht op zoek te gaan naar een leidraad wat de noden betreft van de nationale defensie. Zolang deze noden bestaan, mag niemand overwegen om de bestaande wet af te schaffen, ofwel rechtstreeks, ofwel onrechtstreeks door een gebrekkige toepassing ervan. (…) Ik verklaar uitdrukkelijk: als ik nog aan de macht ben in september 1915, zal ik de klassen die momenteel onder de wapenen zijn, niet ontslaan." Er zijn verschillende redenen om de dienstplicht te verlengen: de militaire milieus hebben nooit de vermindering van de dienstplicht tot twee jaar aanvaard, de alliantie tussen Frankrijk en Rusland wordt nauwer aangehaald, en de Russen hebben nood aan de bevestiging van de capaciteiten van Frankrijk om een offensieve oorlog te voeren. De toenemende bewapening van Duitsland, ten slotte, doet een onevenwicht ontstaan dat Frankrijk wil opvangen door het aantal manschappen te verhogen. Voor de verdedigers van de driejarenwet wordt Frankrijk militair bedreigd door Duitsland, en moet deze wet Frankrijk in staat stellen om zich te verdedigen bij een aanval. Tegenstanders zien er evenwel een onderliggende offensieve bedoeling in terug. Volgens de socialisten zal de versterking van het leger voor een sterkere repressie zorgen bij opstanden, de militaire industrie verrijken en het land verarmen omdat de militaire uitgaven zullen toenemen. Aan de overkant van de Rijn stelt baron Beyens: "Deze wet heeft in de ogen van de Duitsers een buitengewoon groot belang gekregen, en volgens mij een iets te groot belang. Dit is zowat het leitmotiv, de rode draad door hun kijk op de Franse politiek jegens Duitsland. Voor de Duitsers is dit het overduidelijke bewijs van de agressieve voornemens die ze toeschrijven aan de Franse leiders. (…). In Parijs worden evenwel dezelfde intenties toegeschreven aan de Keizerlijke Regering (nvdr. Duitsland) waarvan een aantal leden, dit dient te worden gezegd, zich soms nogal ongelukkig uitdrukt; zoals de minister van Oorlog die het heeft over een 'vernietigend offensief' en een 'onverhoedse aanval' om het Duitse leger de overwinning te bezorgen. Misschien dat er bij een paar enkelingen van beide volkeren nog een groot misverstand heerst. Het overgrote deel van de Franse natie wil in elk geval geen oorlog en oorlog is ook niet nodig voor Duitsland. Over enkele jaren zal machtsevenwicht tussen Duitsland en zijn buur niet meer mogelijk zijn. Duitsland hoeft enkel geduld te oefenen, de onstuitbare ontwikkeling van zijn economische en financiële macht in vrede voort te zetten, te wachten om de vruchten te plukken van zijn superieure geboortecijfer, om zonder dispuut en zonder strijd heel Centraal-Europa te domineren.  De heren Barthou en Poincaré hadden misschien met meer koelbloedigheid moeten onderzoeken of er geen beter middel was om de vrede te bewaren tussen Frankrijk en Duitsland dan een wapenwedloop en een verhoging van het aantal soldaten, waarbij het eerste minder lang kan worden volgehouden dan het tweede." Aan de overkant van het kanaal, wijdt de Times een artikel aan de wet op de driejarige dienstplicht die "gunstig werd onthaald door de Engelse regering, die er een onmiddellijke verhoging in zag van de militaire kracht van de bevriende staat, een versterking van de verdediging van de Triple Entente tegen de krachten van de Triple Alliance, en vooral een gevat antwoord op de uitbreiding van de Duitse troepen."   Frankrijk stapte de oorlog binnen zonder dat de wet werd afgeschaft.

Een kolossaal leger

Nog steeds in de Reichstag onderstreept von Jagow: "Als er één buitenlandse regering is die prat kan gaan op een slechte pers in Duitsland, dan is het wel degelijk de regering van de tsaar." Onze ambassadeur in Berlijn becommentarieert: "De heer von Jagow voegt eraan toe, om zijn critici de wind uit de zeilen te nemen, dat hij ervan overtuigd is dat de Russische regering zich niet laat afleiden door deze agitatie en met het Duitse keizerrijk het goede nabuurschap in stand wenst te houden. (…) Vorig jaar werd de grote boosheid tegen Frankrijk in de hand gewerkt door de goedkeuring van de driejarenwet. Maar vandaag maakt men zich hier zorgen over de militaire voorbereidingen van Rusland, worden de versterkingen overdreven geacht en heeft men het raden naar motief en bedoeling. Vandaar komt deze wisselende toon die ons enigszins verbaast in de taal van de staatslieden van deze landen aan het adres van Rusland. Nu eens wordt Rusland omzichtig benaderd, om de vriendschappelijke banden van weleer onder de aandacht te brengen, dan weer wordt de toon scherper, om het land het gekletter van het Duitse zwaard te laten horen." Op 3 juni bezorgt onze ambassadeur in Londen ons een artikel van kolonel Repington, militair correspondent van de Times, die een overzicht geeft van de maatregelen die "de verschillende continentale Mogendheden, onder andere België, hebben genomen om hun leger en vloot te versterken. De conclusie die hij trekt uit dat onderzoek is de volgende: Duitsland heeft ontegensprekelijk het signaal gegeven voor een nieuwe bewapening, maar het antwoord van Rusland liet niet op zich wachten. Daarenboven hebben de offers die Frankrijk heeft gebracht door zijn soldaten drie jaar lang onder de wapens te houden en de versnelling van het Engelse vlootprogramma de resultaten teniet gedaan die Duitsland verwachtte van zijn militaire en mariene wetten. (…) Vanuit militair oogpunt bevindt Duitsland zich in een minder gunstige situatie dan een jaar eerder en zijn ambitie deed heel wat deining ontstaan in Rusland." 
Op 9 juni vestigt ons gezantschap in Sint-Petersburg de aandacht op een artikel uit de "Novoje Vremya" (nvdr. een Russische krant die tussen 1868 en 1917 in Sint-Petersburg werd uitgegeven): "de Triple Entente beschikt over de beste financiën ter wereld, heeft het beste leger, de machtigste vloot maar toch is de Entente zwakker dan de Triple Alliance. Dit kan worden verklaard door tijdelijke omstandigheden. Ondertussen is de toestand gevaarlijk geworden voor iedereen, en vooral voor kleinere bevolkingen waarvan het onafhankelijke bestaan niet zozeer afhangt van de eigen kracht, maar van het algemeen evenwicht der krachten. Ze vormt een bedreiging voor het bestaan van Denemarken, Nederland, België en voor de gegronde hoop van alle bevolkingsgroepen van rond de Donau, met inbegrip van Roemenen en Hongaren."

Rusland echter blijft zich volop bewapenen, "de begrotingscommissie had het grote plan goedgekeurd voor de uitbreiding van het leger en de marine. Op zijn beurt had de Doema dit gisteren (nvdr. op 23 juni) goedgekeurd in een geheime zitting." En schijnbaar tot grote tevredenheid van de tsaar: "de Doema van het keizerrijk heeft zopas zonder debat de wet goedgekeurd die voortaan het aantal manschappen in vredestijd vastlegt op 584.000 in plaats van 455.000. Naar aanleiding van de goedkeuring van deze aanzienlijke militaire kredieten, las de voorzitter van de Doema een telegram voor van zijne majesteit de keizer aan de eerste minister: 'ik gelast u om aan de Doema van het keizerrijk de uitdrukking over te maken van mijn opperste tevredenheid aangaande de patriottische beslissing die ze heeft genomen om de middelen te voorzien om de verdediging van het land te vervolledigen.' De kranten van hun kant verklaren dat men in het buitenland veel meer informatie dan hier heeft over de Russische militaire plannen."

Op 24 juni schrijft ons gezantschap in Parijs dat "Frankrijk en Rusland op dit moment een heel gevaarlijk spel spelen. Ze jutten elkaar op in een waanzinnige bewapeningswedloop en spelen - vooral de Russen - een partijtje bluf dat zeer funeste gevolgen zou kunnen hebben. Men kan er niet omheen dat de militaire voorbereidselen van het Russische keizerrijk enorm zijn; het leger wordt kolossaal; maar het overschrijdt alle grenzen van de realiteit wanneer het zegt dat het vandaag klaar is om een grote oorlog te voeren. Het zal allicht minstens nog twee maanden duren om de troepen te mobiliseren; het materieel begint nu goed te zijn; maar de verbindingsmiddelen zijn absoluut onvoldoende en het zou nog vele jaren duren om het spoorlijntekort weg te werken. Het zal niet enkel moeilijk worden om de Russische legers te concentreren, maar men vraagt zich ook af hoe de troepen te eten te geven. (…) Maar hoe dan ook veroorzaakt de Russische inspanning veel zenuwachtigheid in Berlijn. (…) Niemand twijfelt aan de nog pacifistische instelling van keizer Wilhelm (nvdr. van Duitsland), maar hoe lang zal het pacifisme bij hem blijven duren in het licht van de Franse en de Russische bedreigingen en van de gevolgen die deze hebben op de chauvinistische en militaristische geesten in het keizerrijk (nvdr. Duitsland). Men is het er in het algemeen over eens dat het Franse leger de laatste tijd aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt. (...) Het is er zich ook perfect van bewust dat door de mobilisatieproblemen van de Russen, de Fransen gedurende twee maanden helemaal alleen de eerste confrontaties met het Duitse leger zullen moeten opvangen. Daarom concentreren de Fransen het grootste deel van hun actieve troepen in de oostelijke regio, en willen ze er ook immense reservetroepen achter de hand houden, waardoor ze de rest van de Franse regio's ongedekt laten. Het is een feit dat het Franse leger meer soldaten zal tellen dan de tegenstander op de meest waarschijnlijke confrontatiepunten; maar hoe zal het er in slagen om deze enorme troepenhoeveelheden in beweging te brengen en te voeden?"

Een catastrofe met Servische aanstichters

De dag na de moordaanslag schrijft onze vertegenwoordiger in Berlijn dat "mijn meest ervaren collega's de vrees uiten dat de Oostenrijks-Hongaarse regering, naar aanleiding van de aanslag van Sarajevo, buitensporig hard zullen optreden tegen de Slavische nationalistische verzuchtingen, waarvan deze aanslag het bloedige bewijs is. Hoe moet het nu verder met de relaties tussen de dubbelmonarchie (nvdr. Oostenrijk-Hongarije) en Rusland en de Balkanstaten, wanneer ze binnen haar grenzen separatistische Slavische elementen aan het vervolgen gaat."   
Op 2 juli noteert onze vertegenwoordiger in Belgrado naar aanleiding van de aanslag: "we kunnen nu verwachten dat de publieke opinie, in het naburige keizerrijk (nvdr. Oostenrijk-Hongarije), Servië verantwoordelijk zal achten voor een catastrofe met als auteurs individuen van het Servische ras, en als theater een land dat door irredentisten van dit koninkrijk wordt opgeëist (nvdr. irredentisme is een nationalistische doctrine die de aanhechting verdedigt aan een staat van bepaalde gebieden die in de ogen van die staat er "legitiem" aan toegevoegd dienen te worden omdat ze er vroeger deel van uitmaakten of omdat hun bevolking door deze nationalisten wordt beschouwd als zijnde historisch, etnisch of taalkundig verwant". En inderdaad maakten de Oostenrijks-Hongaarse kranten, de ene via insinuaties, de andere openlijk, gewag van een samenzwering die werd beraamd door Belgrado. Het bleek namelijk dat de verdachten lange tijd in deze hoofdstad hadden verbleven alvorens hun aanslag te plegen. Daar frequenteerden ze een fanatiek milieu, waar ontaarde figuren makkelijk allerlei - zelfs - criminele waanbeelden achternaholden. (…) In politieke kringen voorziet men reeds de kwalijke gevolgen die de aanslag van Sarajevo zal hebben op de Oostenrijks-Servische relaties. Het in memoriam verschenen in de officieuze krant Samonprava betreurt deze repercussie die zich doet gevoelen, net op het moment waarop lange en moeilijke onderhandelingen, die aan de gang waren inzake economisch beleid, een succesvolle afloop leken te zullen hebben en op die manier zouden kunnen leiden tot een toenadering tussen de beide buurlanden die eigenlijk alle belang hebben bij een goede verstandhouding. Op diezelfde datum ontvangen wij een brief van ons gezantschap in Sint-Petersburg met de trends in de Russische pers uit de hoofdstad: "De Novoje Vremya schrijft een medelevend artikel aangaande de tragische gebeurtenissen die Oostenrijk in rouw dompelen. Maar hetzelfde nummer van de krant publiceert ook het wekelijks artikel waarin regelmatig de naburige monarchie onder vuur wordt genomen. In dat artikel is sprake van onderdrukking van de Slaven in Oostenrijk (…) En Oostenrijk wordt ervan beschuldigd een beleid van wraak te voeren. De liberale kranten zijn van mening dat de aartshertog het slachtoffer is geworden van de fanatieke haat van de Serviërs. Talloze Russische organen publiceren uit de lucht gegrepen verhalen met betrekking tot wat zij de 'Servische pogrom' noemen, en spreken van honderden doden, alleen al in de stad Sarajevo."
De begrafenis en het onderzoek

Op 4 juli was onze ambassadeur in Wenen aanwezig op de begrafenis van Frans Ferdinand en zijn gemalin; hij beschrijft zijn gevoelens: "deze vreselijke tragedie is vanuit alle standpunten betreurenswaardig. De hele monarchie is zeer onder de indruk. Zowat overal grepen manifestaties van loyauteit plaats. Die gingen op bepaalde plaatsen en met name in Bosnië-Herzegovina jammer genoeg gepaard met agressieve demonstraties tegen de Serviërs.

Ook al is het onderzoek nog niet afgerond en moeten we alle vaak uit de lucht gegrepen berichten die door de pers worden verspreid, met de nodige omzichtigheid benaderen, blijkt nu toch al dat de moordenaars in verband gebracht kunnen worden met bepaalde personen uit Belgrado en dat deze personen hen hebben voorzien van bommen en revolvers.  Is het mogelijk dat de leidende klasse van dit koninkrijk (nvdr. Servië) op de hoogte is geweest van dit complot, ze dit hebben goedgekeurd en dat de regering zelf, onder invloed van Rusland, ertoe heeft aangezet of het dan toch op zijn minst heeft getolereerd? Dit zijn de beschuldigingen die door de meeste kranten worden geuit, en die door het publiek worden overgenomen en op een eigen manier worden becommentarieerd, wat de gemoederen nog verder ophitst. In Servië lijkt de aankondiging van deze dubbele moordaanslag een zeer nare indruk na te laten. Deze gebeurtenis, die voor de Serviërs - zelfs de meest overtuigden - in geen enkel opzicht enig praktisch nut heeft en waarschijnlijk zal leiden tot serieuze represailles in Bosnië-Herzegovina, leidt tot een aanzienlijke verzuring van een situatie die reeds voldoende gespannen was. De regering van koning Peter (nvdr. van Servië) bevestigt zijn maatregelen in deze richting. Het lijkt me moeilijk te veronderstellen dat er vanwege Servië een ernstige betrokkenheid zou zijn bij deze misdaad en ik meen zelfs dat dit gebeuren tot heel wat ergernis zal leiden bij de regering die er veel voor over zou hebben opdat deze misdaad niet begaan zou zijn. We kunnen enkel hopen dat de opschudding die hier momenteel heerst (nvdr. in Wenen) niet tot een conflict leidt en weldra weer zal wegebben en dat de relaties tussen beide staten opnieuw naar een normaal niveau evolueren."

Onderdrukking van Serviërs en Servo-Kroaten

Op 8 juli deelt onze vertegenwoordiger in Belgrado onze reacties in de pers mee: "Hier verwijt men Oostenrijk-Hongarije het regime van onderdrukking dat de dubbelmonarchie laat wegen op de Servische en Servo-Kroatische bevolkingsgroepen van het keizerrijk. Een dergelijk regime, zo wordt gezegd, dat enkel zorgt voor een voortdurende beroering van de gemoederen, kan alleen maar leiden tot de vreselijkste rampen. Van Oostenrijkse kant lijkt men de gelegenheid die zich voordeed, gretig te baat te nemen om opnieuw Servië af te schilderen als een land dat onwaardig is om gerekend te worden onder de beschaafde naties en niets meer is dan een roversnest dat best zo snel mogelijk van de kaart van Europa wordt geveegd." En hij meldt ook de eerste conclusies van het onderzoek omtrent de samenzweerders: "Princip heeft ook een poos in Belgrado verbleven waar hij een arm en teruggetrokken leven leidde, wat hem echter niet belette om duistere ontmoetingen te hebben in allerlei revolutionaire milieus. Hij zat zo aan de grond dat hij is moeten aankloppen bij een pandjeshuis om er kledij, die hij niet meteen nodig had, te gelde te maken, met de bedoeling om aan genoeg geld te geraken om zijn terugreis naar Bosnië te betalen. Deze vaststellingen zorgen voor onzekerheid bij de aanklagers die nogal gretig de Servische autoriteiten betrokken bij dit complot. Ook al liet de Oostenrijks-Hongaarse regering zich op sleeptouw nemen om aan het kabinet in Belgrado eisen te stellen die niet verenigbaar zijn met de onafhankelijkheid van een soevereine staat, toch is er sprake van enige remming, want Servië weet dat het in dit geval kan rekenen op de steun van Rusland." Deze laatste bewering lijkt wel een selffulfilling prophecy, wat betreft de genese van de op til zijnde tragische momenten.  Enkele dagen later, op 14 juli: "De Oostenrijks-Hongaarse pers voert momenteel met de collega's in Belgrado een betreurenswaardige agressieve woordenwisseling; de publieke opinie is gealarmeerd, bij de beurs is de ontreddering compleet.  Men beweert dat Wenen niet enkel aan de Servische regering zal vragen om op haar grondgebied het onderzoek verder te voeren met betrekking tot de dubbele aanslag van Sarajevo, maar dat Wenen Servië ook doeltreffende maatregelen zoekt op te leggen die de beweging ten voordele van een Groot-Servië moeten afremmen, en hier zelfs ernstige garanties voor eist." Op 16 juli "Kijkt men in Berlijnse diplomatieke kringen niet zonder vrees uit naar de eisen die aan het kabinet in Belgrado zullen worden overgemaakt, zowel ter bestraffing van de medeplichtigen van de moordenaars van Sarajevo, als voor het stopzetten van de panservische propaganda. Het stilzwijgen dat het Weense kabinet er tot dan toe doet, belooft niet veel goeds waardoor de storm, omdat die al langere tijd aan het broeien is, misschien nog heviger zal losbarsten." Op 22 juli aarzelde men in Wenen niet "om de noodzaak in te zien van een gewapende interventie. De nummers van de acht legerkorpsen die Servië zouden binnenvallen, waren reeds gekend (…). De president van de Raad van Hongarije, die tot twee keer toe naar Wenen snelde, heeft een rem kunnen zetten op deze oorlogszuchtige ijver. De voorzichtige en bedachtzame staatsman Graaf Tisza begreep hoe gevaarlijk het was om zich zomaar lichtzinnig in een dergelijk avontuur te storten en drong aan om toch een meer gematigde houding aan te nemen (…). Het valt immers moeilijk te ontkennen dat een gewapend conflict tussen Oostenrijk-Hongarije en zijn buurland (nvdr. Servië) de kiem zou kunnen bevatten van een grootschalig Europees conflict (…). Nikolai Schebeko, Russisch ambassadeur in Wenen, verklaart dat de regering van de tsaar de raadgevers van koning Peter zal uitnodigen om alle verzoeken te aanvaarden die hem op beleefde wijze zouden worden gedaan en die een rechtstreeks verband zouden hebben met de moordaanslag. Hetzelfde zou gelden voor de ontbinding van een aantal maatschappijen met te sterke irredentistische neigingen. Maar we zullen algemene verdachtmakingen jegens Servië niet dulden." Onze vertegenwoordiger verklaart dat Nicolas Pachitch, de eerste minister van Servië, "zich zeer vastberaden zal tonen in het geval het zou gaan om voorwaarden waaraan hij wettelijk niet kan voldoen of die zouden indruisen tegen de nationale trots. Met name wat betreft het ontbinden van maatschappijen, kan worden opgemerkt dat de zeer liberale Servische grondwet het recht op vereniging garandeert en dat het trouwens niet slechts enkele maatschappijen zijn die een politiek programma hebben dat streeft naar de oprichting van een Groot-Servië, maar dat het de hele bevolking is van het land die deze droom nastreeft." 

Een grotesk en beledigend ultimatum

ultimatum

Op 23 juli bezorgt baron Giesl, Oostenrijks ambassadeur in Belgrado, de Servische regering de nota waarop een antwoord wordt geëist binnen 48 uur, een nota die in feite niets anders is dan een ultimatum. Die nota beschuldigt Servië "de criminele activiteit getolereerd te hebben "; en is volkomen onaanvaardbaar voor Servië. De hardheid van het Oostenrijks-Hongaarse ultimatum verbaast heel Europa: "Oostenrijk heeft een grotesk en vernederend ultimatum gestuurd aan Servië", aldus Lord Asquith, eerste minister van het Verenigd Koninkrijk; "Ik heb nog nooit eerder meegemaakt dat een Staat aan een andere Staat een document richt met een dermate verschrikkelijke inhoud", zegt ook de Britse minister van Buitenlandse Zaken Sir Edward Grey. Vooral het 5e en 6e punt, waaraan niet kan worden voldaan zonder het ondenkbaar scenario waarbij Servië afstand zou doen van zijn soevereiniteit, vermits het ultimatum het recht opeist voor de Oostenrijkse politiediensten om vrij in Servië op te treden. Onze vertegenwoordiger schrijft ons op 24 juli dat het "weinig waarschijnlijk is dat de Oostenrijks-Hongaarse staatslieden dergelijke stappen zouden ondernemen, de gevaarlijkste stappen die hun diplomatie ooit heeft ondernomen tegen een Balkanstaat, zonder daarbij eerst de collega's in Berlijn te hebben geraadpleegd en zonder de goedkeuring daarvoor te hebben verkregen van keizer Wilhelm. Profetische commentaar van onze ambassadeur in Wenen, op 25 juli: "Een weigering zou vanuit internationaal standpunt uiteraard zeer ernstige gevolgen hebben. Dit zou een Europees conflict in gang kunnen zetten en economisch gezien kunnen leiden tot enorme verliezen. Het zou dus wenselijk zijn dat Servië zich schikt naar de eisen. Over enkele uren zullen we het Servische antwoord kennen maar het is uitermate weinig waarschijnlijk dat dit antwoord voldoening zal schenken. Koning Peter en zijn regering zouden bovendien in het land een revolutie ontketenen indien ze nog maar de minste bereidwilligheid tot toegevingen tentoon zouden spreiden. Daar moet men zich uiteraard ook van bewust zijn op de Ballplatz. Het lijkt er bovendien ook op dat men de voorwaarden zo strikt heeft opgesteld omdat men alleen zo hoopte dat ze zouden worden geweigerd, omdat men eens en voor altijd komaf wilde maken met Servië."  Diezelfde 25e juli, om 18 uur, is het Pachitch in hoogst eigen persoon die de Oostenrijks-Hongaarse ambassadeur het Servische antwoord bezorgt op de Weense eisen, een handgeschreven tekst die verschillende keren werd hernomen en gecorrigeerd. Giesl overloopt snel de tekst, ontdekt hier en daar bepaalde bezwaren en leest niet verder. De instructies luiden immers dat Servië zich integraal diende te schikken naar de tekst, en het minste bezwaar zou meteen leiden tot het onmiddellijke vertrek van de ambassadeur. Nochtans was het antwoord van Servië een verzoenend antwoord. Toch worden de diplomatieke relaties ontbonden. Op 25 juli rapporteert ons gezantschap in Berlijn dat "de Duitse pers (…) blijkt te bekomen van de eerste verbazing die werd veroorzaakt door de Oostenrijks-Hongaarse nota. Ze treedt de pers uit Wenen en Boedapest bij en bekijkt op kille wijze de mogelijkheid van een oorlog, evenwel in de hoop dat deze beperkt zal blijven. (…) Zelfs een snelle militaire demonstratie van het Oostenrijks-Hongaarse leger tegen Belgrado, na de weigering van de Servische regering om het ultimatum te aanvaarden, zou misschien geen onherstelbare gebeurtenis kunnen zijn."  In de Britse hoofdstad laat het ultimatum "een enorme indruk na. De publieke opinie en de pers zien de ernst van de toestand in wat het gevaar betreft op een Europees conflict en raden de Britse regering aan om haar matigende invloed aan te wenden om, desgevallend, het conflict lokaal te houden. " Op 26 juli stelt de Britse eerste minister Edward Grey voor om het conflict te regelen via een conferentie tussen het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië en Duitsland, dat het aanbod evenwel verwerpt omdat het van mening is dat het militaire evenwicht het in staat moet kunnen stellen om het Servisch conflict te regelen. Op diezelfde datum deelt ons gezantschap in Sint-Petersburg ons de reactie mee in de Russische hoofdstad: "Het Oostenrijks-Hongaarse ultimatum aan het kabinet in Belgrado heeft in Sint-Petersburg tot grote irritatie geleid en de keizerlijke regering heeft gisteren een communiqué gericht tot de pers dat gaat als volgt: 'De regering is zeer verontrust over de gebeurtenissen naar aanleiding van het versturen van een Oostenrijks-Hongaarse ultimatum aan Servië. De regering volgt met alle aandacht de ontwikkeling van het Oostenrijks-Servische conflict, waarbij Rusland niet onverschillig zal blijven.' Anderzijds deed de heer Sazonov gisteren aan een ambassadeur van de Triple Alliance categorieke verklaringen waaruit blijkt dat Rusland niet zal toestaan dat Servië door Oostenrijk-Hongarije wordt verpletterd. De minister van Buitenlandse Zaken voegde er aan toe dat Belgrado gematigdheid werd geadviseerd en dat de Servische regering werd aangeraden om de eisen van het ultimatum in te willigen, waarvan het karakter van juridische orde is; Rusland gaf daarbij echter te verstaan dat de eisen waarvan het politieke karakter een inbreuk betekent op de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van de natie, niet het voorwerp mochten zijn van een capitulatie.  Gisterenavond (nvdr. 25 juli), om 6 uur, ondertekende de tsaar in het kamp van Krasnoye-Selo de mobilisatie van 10 legerkorpsen uit de militaire districten van Kiev en Odessa.  Deze maatregel werd zeer enthousiast onthaald in militaire kringen waar men het er volmondig over eens is dat het Russische landleger de laatste twee jaar in waarde is verdubbeld. Dit lijkt niet betwistbaar. Anderzijds is ook het enthousiasme er niet minder om bij de panslavisten ten gunste van een pro-Servische oorlog tegen de erfvijand. Het lijkt niet mogelijk, eens de beweging in gang gezet, om te weerstaan aan een dergelijke machtige volksstroming. In Sint-Petersburg is men ervan overtuigd dat de Oostenrijkse tactiek erin zal bestaan om het offensief aan de Russen te laten om Duitsland in een toestand van casus foederis te brengen (nvdr. in een verdrag voorziet een clausule de verplichting tot bijstand, in het bijzonder in het geval van een gewapende agressie). Toch dient te worden opgemerkt dat tot op heden de mobilisatie niet wordt uitgebreid tot het militaire district van Vilna, dat grenst aan Duitsland, en blijkbaar uitsluitend is gericht tegen Oostenrijk." Baron de l'Escaille, onze ambassadeur in Sint-Petersburg, meldt op 27 juli dat "de opening die gisterenavond werd gemaakt door Sazonov aan het adres van de Graaf von Pourtalès (nvdr. ambassadeur van Duitsland in Sint-Petersburg), opgesteld in een verzoenende taal: 'help ons om een middel te vinden om een oorlog te vermijden die we niet wensen.' lijkt te duiden op een mogelijke pacifistische oplossing waarop men 24 uur eerder niet meer had durven hopen. ' Deze versoepeling in de onverzettelijkheid van het kabinet in Sint-Petersburg heeft misschien te maken met de verklaring die gisteren werd gedaan door graaf Berchtold aan de Russische zaakgelastigde in Wenen waarbij deze de verzekering kreeg dat Oostenrijk-Hongarije niet van plan is om ook maar enig stuk Servisch grondgebied in te nemen. (…) Maatregelen ter voorbereiding van een eventuele mobilisatie van het militaire district van Sint-Petersburg werden 24 uur daarvoor genomen. Een nota aan de pers verbiedt, krachtens een wet die in januari jongstleden werd goedgekeurd, elke berichtgeving omtrent de mobilisatie van het leger."

Een actie beraamd in Berlijn en uitgevoerd in Wenen 

Uit een dringende en vertrouwelijke brief, gedateerd 26 juli, die baron Eugène Beyens, onze ambassadeur in Berlijn, verstuurt naar het hoofd van de Belgische diplomatie, Julien Davignon, blijkt duidelijk dat het op aangeven van Berlijn was dat het onaanvaardbaar ultimatum werd overhandigd aan de Servische regering: "Herhaalde gesprekken die ik gisteren heb gehad met de ambassadeur van Frankrijk, de ministers van Nederland en Griekenland, de Engelse zaakgelastigde, doen bij mij het vermoeden ontstaan dat het ultimatum aan Servië een actie is die werd voorbereid door Wenen en Berlijn, of veeleer hier werd bedacht en uitgevoerd in Wenen. Daarin schuilt het grootste gevaar. De wraakgevoelens voortvloeiend uit de moord op de aartshertog en troonopvolger en uit de panservische propaganda waren enkel maar een voorwendsel. De eigenlijke bedoeling, naast de vernietiging van Servië en van de Joegoslavische aspiraties, zou zijn om Rusland en Frankrijk een dodelijke slag toe te brengen, met de zeer gefundeerde hoop dat Engeland aan de kant zou blijven staan. Om deze veronderstellingen te rechtvaardigen, dien ik u te herinneren aan de opinie die heerst in Duitse militaire middens, met name dat een oorlog met Frankrijk en Rusland onvermijdelijk en nakend is, een opinie die we ook hebben kunnen delen met de keizer (nvdr. onderstreept in het originele document).  Deze oorlog, waar vurig naar wordt verlangd door de militaire en pangermanistische partij, zou gevoerd kunnen worden in omstandigheden die nu voor Duitsland zeer gunstig zijn. Langer wachten zou dit voordeel teniet doen. Duitsland had zijn militaire versterkingen, zoals voorzien door de wet van 1913, afgerond en voelt ook aan dat het met Rusland en Frankrijk niet oneindig in een bewapeningswedloop verwikkeld kon blijven omdat die het land anders zou ruïneren. De Wehrbeitrag (nvdr. dit is een belasting die kan worden gezien als een bijdrage tot de defensie) was een ontgoocheling voor de keizerlijke regering, die werd geconfronteerd met de grenzen van de nationale rijkdom. Rusland had er verkeerd aan gedaan om met zijn kracht te koop te lopen alvorens zijn militaire reorganisatie af te ronden. De militaire macht zal pas van tel zijn over enkele jaren; de Russen hebben immers momenteel niet de nodige spoorlijnen om een troepenmacht te ontplooien.

In Frankrijk had men geen nood aan de onthullingen van Charles Humbert (nvdr. senator en vicevoorzitter van de senaatscommissie voor de strijdkrachten) om te beseffen welke gevolgen het gebrek aan kanonnen van groot kaliber zou hebben, en het is precies dat type wapen dat de doorslag zal geven tijdens de gevechten. Engeland van zijn kant, dat de Duitse regering al een jaar of twee en niet zonder succes probeert los te weken van Frankrijk en Rusland, is verlamd door onderlinge conflicten en de problemen in Ierland. Het bestaan van een plan onderling uitgewerkt door Berlijn en Wenen, wordt in de ogen van mijn collega's en ook in mijn ogen bewezen door de hardnekkigheid waarmee men in de Wilhemstrasse (nvdr. het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken, aldaar gevestigd) ontkent dat men vóór donderdag laatstleden (nvdr. 23 juli, de datum waarop het ultimatum werd overhandigd) weet had van de inhoud van de Oostenrijkse nota. (…) Hoe kan anders verklaard worden dat deze nota, die sterk herinnert aan de nota die werd overhandigd aan de Poort (nvdr. het Ottomaanse rijk) door de Italiaanse ambassadeur voorafgaand aan de invasie van Libië (nvdr. op 27 september 1911 overhandigt de Italiaanse vertegenwoordiger in Constantinopel een ultimatum aan de Sublieme Poort, waarin de intentie van zijn land wordt aangekondigd om Tripolitanië en Cyrenaica te bezetten om de levens en goederen van zijn eigen onderdanen aanwezig in het Regentschap Tripoli, veilig te stellen. Het schriftelijke antwoord van de Turkse zaakgelastigde aan de markies van San Giulano werd door Italië als onvoldoende beschouwd), en die net als zijn voorganger, bestemd was om de oorlog onvermijdelijk en onmiddellijk te maken, zowel omwille van de uitzonderlijke strengheid van de voorwaarden als omwille van de zeer korte termijn die het kabinet in Belgrado had om ze uit te voeren, opgesteld is kunnen worden zonder medeweten van de Duitse regering en zonder haar actieve medewerking, terwijl ze voor Duitsland zeer ernstige gevolgen met zich meebrengt? En wat nog eens de onderlinge overeenkomst tussen beide regering illustreert, is hun gelijktijdige weigering om de termijn opgelegd aan Servië, te verlengen. Terwijl de vraag naar een verlenging geformuleerd door de Russische zaakgelastigde in Wenen, op de Ballplatz van tafel werd geveegd, wist von Jagow in de Wilhelmstrasse een gelijkaardig verzoek vanwege de Russische en Britse zaakgelastigden te ontwijken, die uit naam van hun respectieve regeringen de steun vroegen van het kabinet in Berlijn om Oostenrijk ertoe te brengen Servië meer tijd te gunnen om een antwoord te formuleren. In Berlijn en Wenen heerste echter hetzelfde verlangen om onmiddellijk en onvermijdelijk over te gaan tot de vijandelijkheden. Het geestelijke vaderschap van het plan en de suggestie van de toegepaste werkwijze, worden hier, in diplomatieke middens, omwille van hun geslepen karakter, een Bismarck waardig (nvdr. Otto von Bismarck (1815-1898) is een vooral Pruisisch en dan pas Duits politicus die een belangrijke rol heeft gespeeld in de Duitse eenmaking), toegeschreven aan het brein van een veeleer Duits dan wel Oostenrijks diplomaat. Het geheim werd goed bewaard en het plan werd met een opmerkelijke snelheid uitgevoerd. Noteer ook dat, ook al bestaat het heimelijke doel van de staatslui van beide rijken er niet echt in om de oorlog te veralgemenen en Rusland en Frankrijk ertoe te verplichten om er aan deel te nemen, maar enkel om de macht van Servië te vernietigen en dat land te beletten om zijn duistere propagandistische werkzaamheden verder te zetten, het resultaat toch hetzelfde zal zijn. Het is onmogelijk dat het vooruitzicht van dit resultaat ontsnapt is aan de helderziende blik van de leiders van het Duitse keizerrijk. In de ene zowel als in de andere veronderstelling, lijkt de interventie van Rusland onvermijdelijk; ze hebben deze complicatie koudweg onder ogen moeten zien en zich hebben voorbereid om hun bondgenoten op energieke wijze te ondersteunen. Het vooruitzicht van een Europese oorlog doet hen evenwel geen moment twijfelen, ook al was het verlangen om hem te ontketenen niet de drijfveer van hun gedrag." In een andere brief van dezelfde baron Beyens, gedateerd 28 juli, lezen we dat "de Italiaanse ambassadeur van mening is dat men zich illusies maakt (nvdr. in Berlijn) over de beslissingen die de regering van de tsaar zal nemen.) Volgens hem zal die ertoe gedwongen worden om ten oorlog te trekken om in de ogen van de Slaven niet elke autoriteit en elk prestige te verliezen. Niet optreden bij een eventuele oorlogscampagne van Oostenrijk zou gelijk zijn aan zelfmoord. (…) De indruk dat Rusland niet in staat is om het hoofd te bieden aan een Europese oorlog heerst niet enkel in keizerlijke regeringskringen, maar ook bij de Duitse industriëlen die gespecialiseerd zijn in de levering van militair materiaal. De industrieel met de grootste autoriteit om een mening te verkondigen, Krupp von Bohlen, verzekerde één van mijn collega's dat de Russische artillerie niet deugt en verre van compleet is, terwijl die van het Duitse leger nooit van een betere kwaliteit is geweest. Het zou, zo voegde hij eraan toe, voor de Russen gekkenwerk zijn om in deze omstandigheden de oorlog te verklaren aan Duitsland."

Waarom werd Jaurès vermoord?

Die 25e juli houdt Jaurès in Lyon een sublieme redevoering, zes dagen voor zijn dood. "Ik wil u vanavond zeggen dat wij, dat Europa de afgelopen 40 jaar, nog nooit een situatie hebben gekend die zo bedreigend en tragisch is als de situatie waarin we ons op dit ogenblik bevinden, een ogenblik waarop ik de verantwoordelijkheid heb om het woord tot u te richten.  Mijne heren, de legers die zouden ontstaan uit elk volk, miljoenen Germanen, miljoenen Russen, miljoenen Italianen, miljoenen Fransen, zouden hele naties zijn, zoals in de tijd van de primitieve barbarijen, maar deze keer dan ontketend doorheen alle ingewikkeldheden en alle rijkdommen van de menselijke beschaving. Het zouden, ten dienste van deze kolossale naties, de vreselijkste instrumenten zijn van de vernietiging, gecreëerd door de moderne wetenschap. Denk maar niet dat dit een korte oorlog wordt, die wordt beslecht in een paar donderslagen en bliksemflitsen. Dit wordt, in de gebieden die tegenover elkaar staan, een formidabele en trage strijd, zoals de strijd die weleer is losgebarsten in Mantsjoerije tussen Russen en Japanners. Het zullen mensenmassa's zijn die zullen fermenteren in ziekten, in nood, in pijn, onder de verwoestingen van de granaten, koorts die zich meester maakt van de zieken, de handel die verlamd wordt, fabrieken die tot stilstand komen, de oceanen, waar vandaag de rookpluimen van hun schepen zichtbaar zijn, zullen weer leeg zijn en naar de sinistere eenzaamheid van vroeger zijn teruggekeerd. (...) We staan misschien nu aan de vooravond van de dag waarop Oostenrijk zich op de Serviërs zal storten en wanneer Oostenrijk en Duitsland zich op de Serviërs en de Russen storten, staat Europa in brand, staat de hele wereld in brand." Wat een luciditeit, wat een wijsheid, te waarachtig, te realistisch helaas om de stijfhoofden en imbecielen te raken of te overtuigen! Op 31 juli nuttigt Jean Jaurès het avondmaal met zijn medewerkers in het Café du Croissant, in de rue Montmartre. Bij het vallen van de avond vuurt de labiele nationalistische student Raoul Vilain twee schoten af door het open venster van het café waarbij Jaurès dodelijk werd getroffen. Nog twee noodlottige schoten! De Europese socialisten zullen de mars naar de oorlog niet kunnen stoppen. Overal hebben patriottische overtuigingen het pacifistische ideaal tot zwijgen gebracht.

De mobilisatie is op gang gebracht

Onze ambassadeur in Wenen, op 26 juli: "Het antwoord van de Servische regering op de Oostenrijks-Hongaarse nota werd door de vertegenwoordiger van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie in Belgrado als onvoldoende beschouwd, zoals ik ook had voorzien. Generaal Baron Giesl verliet daarop onmiddellijk zijn post met al zijn personeel, aan beide kanten wordt het bevel tot mobilisatie gegeven en de oorlog lijkt nu onafwendbaar. De zeer strikte voorwaarden van de nota, de weigering om er gesprekken over te voeren, en de zeer korte termijn om er een antwoord op te formuleren lijken aan te tonen dat het punt waarop men nu is gekomen precies het punt is dat men steeds heeft willen bereiken. Het is evident dat de actie die werd ondernomen door de Oostenrijks-Hongaarse regering de volledige goedkeuring wegdraagt van Berlijn. Sommigen beweren zelfs dat Graaf Berchtold werd aangemoedigd en deze richting werd uitgeduwd door de Duitse regering die niet zou terugschrikken van het gevaar op een algemeen en allesomvattend conflict en er de voorkeur aan zou geven om nu de strijd aan te binden met Frankrijk en Rusland die onvoldoende waren voorbereid, omdat die beide landen over drie jaar hun militaire transformaties zullen hebben afgerond. (…) Maar anderzijds lijkt het moeilijk te geloven dat Rusland passief zou toekijken op een totale vernietiging van deze Servische staat. (…) Het valt aan te nemen dat het antwoord van Pachtitch aan generaal Giesl op een groot aantal punten tegemoet kwam aan de gestelde voorwaarden, met name de punten met betrekking tot de moord op aartshertog Frans Ferdinand, en men mag de hoop niet opgeven dat er toch nog een compromis kan worden gesloten indien de Mogendheden, indien zij de oprechte wens zouden koesteren om de vrede te handhaven, er alles aan zouden doen om dit resultaat te bereiken. Het zou ten zeerste wenselijk zijn indien dit zo zou kunnen geschieden. Maar de vastberaden houding van Oostenrijk-Hongarije en de steun van Duitsland doen die hoop echter smelten als sneeuw in de zon." Op 27 juli "Werd nog geen enkele oorlogsverklaring afgekondigd, maar de mobilisatie is volop aan de gang en de bevolking lijkt blijk te geven van een groot enthousiasme." In zijn leader (nvdr. editoriaal) van 23 juli ziet de Times nog steeds de mogelijkheid onder ogen van een vreedzame oplossing, vermits Servië de draconische voorwaarden heeft aanvaard die werden opgelegd door Oostenrijk, op één na. Die heeft betrekking op de inmenging van Oostenrijkse ambtenaren in het juridisch onderzoek dat in Servië moet worden gevoerd. De punten waartegen de regering in Belgrado protest aantekent en waarover zij uitleg vraagt, impliceren, zonder enige twijfel, volgens de Times, een inbreuk op de meest elementaire en onverbrekelijke rechten van de soevereiniteit." De Morning Post van diezelfde 22e juli publiceert een artikel van zijn militair correspondent die de hypothese van een Europese oorlog overweegt: "Wanneer het Duitse leger Frankrijk aanvalt, heeft het de keuze uit twee strategieën: ofwel opereert het leger in een beperkte ruimte tussen de Zwitserse en Belgische grens, en dan is het twijfelachtig of het een doorslaggevend succes kan boeken alvorens de Russen in het offensief gaan, of het gaat via België, wat dan een oorlog zou betekenen met Engeland, want er is geen enkele reden om te veronderstellen dat de Britse regering haar contractuele verbintenissen jegens België zou willen ontlopen." Het vervolg van de gebeurtenissen zal de correctheid van zijn bemerkingen bevestigen.

De oude keizer ondertekent de oorlogsverklaring

De volgende dag, op 28 juli, begeeft minister Berchtold zich naar Bad Ischl, het zomerverblijf van Frans Jozef, de oude Oostenrijks-Hongaarse keizer. Die ondertekent plechtig, gezeten aan zijn groot bureau, de oorlogsverklaring met een struisvogelveer. Alsof Johannes van Patmos de eerste woorden van zijn werk schrijft en de eerste van de onheilspellende ruiters zich in beweging zet. De oorlog is verklaard en de mobilisatie gaat gepaard met een drukte van jewelste. Momenteel zijn er nog maar acht legerkorpsen in staat van oorlog. Pas wanneer de houding van de Russen een bedreiging zou vormen, zal de algemene mobilisatie worden afgekondigd. Het wordt steeds duidelijker dat het er niet enkel om gaat Servië te straffen, maar ook om een krachtdadige actie op touw te zetten om zowel in het buitenland als binnen de grenzen het eigen blazoen weer op te poetsen dat de laatste tijd wat gaan verbleken was. Of Duitsland nu gewoon de plannen van zijn bondgenoot had goedgekeurd of zelfs had aangemoedigd, het leidt helemaal geen twijfel dat beide staten alle mogelijke gevolgen van deze actie onder ogen hebben gezien en dat ze bereid zijn om er de risico's van te nemen. (...) Het is overduidelijk van Rusland dat de beslissing zal afhangen om deze oorlog lokaal te houden of om er een Europees conflict van te maken. Er wordt met spanning uitgekeken naar berichten uit Sint-Petersburg die er maar niet komen." Op 28 juli schrijft ons gezantschap dat men er "bij het Foreign Office van overtuigd is dat de oplossing van de huidige crisis uitsluitend afhangt van Duitsland. Wil Duitsland de oorlog en acht het land het moment gekomen om de Europese kaarten dooreen te schudden? Dat is wat men zich met grote bezorgdheid afvraagt in Londen. De houding van het Duitse keizerrijk werkt alleen maar de vrees in de hand; Duitsland wordt verweten niet te hebben ingegrepen op de Ballplatz en zich te hebben beperkt tot het louter meedelen zonder commentaar van de voorstellen van de mogendheden." Diezelfde 28e juli, noteert ons gezantschap in Parijs dat "de ambassadeur van Oostenrijk de zaak op een hooghartige manier benadert; hij legt de nadruk op de grieven van zijn land tegen Servië; wat Rusland betreft, zo zegt hij, hebben wij niet het plan om dat land aan te vallen, maar als de Russen dat wel van plan zouden zijn, dan zullen ze weten met wie ze te maken hebben. De Duitse ambassadeur spreekt nog steeds verzoenende taal en zweert dat eenzelfde ingesteldheid ook heerst bij de keizer en bij alle anderen die deel uitmaken van de regering van het keizerrijk.  Duitsland is bereid tot elk plan dat zou instaan voor het in stand houden van de vrede." Verbazingwekkende woorden wanneer men bedenkt dat een week later Duitsland de oorlog verklaart aan Frankrijk, op 3 augustus, en aan België, op 4 augustus. De volgende dag schrijft onze vertegenwoordiger in Parijs: "Het is een feit; Oostenrijk heeft de oorlog verklaard aan Servië. Wat nu moet worden vermeden, is een uitbreiding van het conflict. Het kan niet meer worden betwist dat, wanneer Rusland zich in de schermutselingen mengt, het conflict uit de hand dreigt te lopen." Onze vertegenwoordiging in Berlijn: "De vijandelijkheden zullen dus beginnen, maar die zouden van korte duur kunnen zijn wanneer Duitsland zijn invloed zou aanwenden op zijn bondgenoot en indien de Serviërs van hun kant het advies opvolgen dat hen werd gegeven, zich zouden terugtrekken voor de invaller zonder deze de kans te bieden om nutteloos bloed te doen vloeien. (...) Dat zijn jammer genoeg maar hypothesen geïnspireerd door de wens om een Europese catastrofe te vermijden. Maar het volgende feit kan een invloed hebben gehad op de maatregelen genomen door het kabinet in Berlijn. Sir Edward Grey verklaarde gisteren aan Prins Lichnowsky, dat indien er een oorlog zou uitbreken, geen van de zes grote mogendheden afzijdig zou blijven. (nvdr. Karl Max von Lichnowsky was ambassadeur van Duitsland in Groot-Brittannië.  Op die post gaf hij blijk van een opmerkelijke scherpzinnigheid tijdens de crisis van juli 1914: hij verwittigde meteen de kanselier en vervolgens de keizer van een Engelse interventie aan de zijde van de Fransen en de Russen. Op 25 juli smeekte hij letterlijk Wilhelm II om de bemiddeling te aanvaarden van Edward Grey, staatssecretaris aan het Foreign Office. Op 27 juli voorspelde hij dat het Reich de nakende oorlog niet kon winnen en op 29 juli verklaarde hij "als de oorlog zal losbarsten, zal dat de grootste ramp zijn die de wereld ooit gekend heeft." Op hetzelfde moment berichtten de Duitse kranten dat de Britse oorlogsvloot in staat van paraatheid werd gebracht.  Het is zeker dat deze waarschuwingen voor een illusie zullen zorgen die iedereen in Berlijn, zowel in officiële kringen als in de pers, zich graag eigen maakte. In krantenartikels, die deze laatste dagen nog werden gewijd aan de start van het conflict, bleek nog het grootste vertrouwen in de neutraliteit van Engeland. (...) Britse staatslui geven zich rekenschap van de gevaren die de volledige hegemonie van Duitsland op het Europese continent zou inhouden voor hun land en hechten een vitaal belang, niet omwille van sentimentele redenen, maar omwille van het evenwicht, aan het bestaan van Frankrijk als grote mogendheid."

Guerre déclarée .jpg

De oorlogspartij neemt de overhand

Op 30 juli verstuurt onze vertegenwoordiger vanuit Sint-Petersburg een gecodeerd telegram waarvan men vermoedt dat dat werd opgesteld in een opgewonden sfeer: "Engels ambassadeur verklaart situatie als zijnde hopeloos. Duits ambassadeur verklaart verzoeningsmiddelen uitgeput. Algemene mobilisatie gepubliceerd in 26 gouvernementen, gedeeltelijke mobilisatie in 13 (nvdr. in 1914 was het Russische rijk onderverdeeld in 81 "goebernija's" (gouvernementen) of "goevernorats" en uit 20 "oblasten" (regio's). Vloot gemobiliseerd. Oorlog lijkt haast onafwendbaar." Diezelfde baron de l'Escaille verwijst naar zijn telegram in een rapport van diezelfde datum, waarvan het origineel wordt onderschept door de Duitsers: "Deze morgen kondigt een officieel communiqué aan de pers aan dat reservisten in een aantal gouvernementen werden opgeroepen onder de wapens.' De discretie kennende van de officiële Russische communiqués, kan men er ronduit van uitgaan dat er overal wordt gemobiliseerd. De ambassadeur van Duitsland verklaarde deze ochtend dat hij aan het einde was gekomen van zijn verzoeningspogingen die hij al sinds zaterdag (nvdr. 25 juli) had ondernomen en dat er geen hoop meer was.  Ik kreeg zopas te horen dat de ambassadeur van Engeland zich in dezelfde zin had uitgesproken. Groot-Brittannië stelde onlangs nog een arbitrage voor, Sazonov antwoordde daarop: 'We hebben dat zelf voorgesteld aan Oostenrijk-Hongarije, dat heeft geweigerd.' Voorstel van overeenstemming tussen kabinetten. Men kan zich echt afvragen of iedereen de oorlog niet wenst en alleen maar de afkondiging nog wat wil uitstellen om tijd te winnen. Engeland gaf als eerste te verstaan zich niet te willen laten meeslepen in een conflict. Sir George Buchanan (nvdr. ambassadeur van Engeland in Rusland van 1910 tot 1917) zei dit openlijk. Vandaag is men er in Sint-Petersburg heilig van overtuigd, men heeft daar zelfs de garantie van, dat Engeland Frankrijk zal steunen. Deze steun vormt een enorm gewicht en heeft er niet weinig toe bijgedragen om de oorlogspartij de wind in de zeilen te geven. De Russische regering gaf deze dagen vrije loop aan alle pro-Servische en anti-Oostenrijkse manifestaties en deed geeneens een poging om deze in de kiem te smoren. Binnen de ministerraad die gisterenochtend werd gehouden, kwamen nog enkele meningsverschillen naar voor: aanvankelijk werd de publicatie van de mobilisatie nog vertraagd, maar daarna kwam er een ommekeer en nam de oorlogspartij de bovenhand en zal de mobilisatie deze ochtend om vier uur worden gepubliceerd. Het leger is bijzonder enthousiast en put grote hoop uit de enorme vooruitgang die sinds de Japanse oorlog werd gerealiseerd (nvdr. de Russisch-Japanse oorlog duurde van 8 februari 1904 tot 5 september 1905.  Daarin nam het Russische rijk het op tegen het Japanse keizerrijk, de uiteindelijke overwinnaar). De marine is evenwel nog zo ver verwijderd van de realisatie van haar heropbouw- en reorganisatieprogramma, dat er geen rekening mee gehouden kan worden (nvdr. de zwakheid van de Russische marine kwam aan het licht tijdens de slag van Sushima, op 27 en 28 mei 1905, tussen de Russische Baltische vloot en de keizerlijke Japanse marine. Dit was het belangrijkste marinetreffen in de Russisch-Japanse oorlog en een van de belangrijkste episodes in de nederlaag van het Russische keizerrijk in dit conflict). Daarom wordt zoveel belang gehecht aan de verzekering van de steun van Engeland (nvdr. in 1914 zorgde de wapenwedloop ervoor dat de Royal Navy kon rekenen op een tonnenmaat van 2.700.000 t, een heel stuk meer dan de 1.380.000 t van de Duitse keizerlijke marine). Zoals ik de eer heb gehad u dit vandaag nog te telegraferen, lijkt elke hoop op een vreedzame oplossing teniet te zijn gedaan. Dat is de opinie in diplomatieke kringen." De Britse oorlogsvloot van zijn kant is op zijn hoede. Onze ambassadeur in Londen, Graaf de Lalaing, schrijft op 30 juli dat in Engeland "men alle defensieve maatregelen treft; er heerst een drukte van jewelste in de arsenalen en in de dock yards, schijnwerpers verlichten de ingang van de havens van Dover en Portsmouth om verrassingen te voorkomen, schepen van de 2e en de 3e vloot slaan steenkool, levensmiddelen en munitie in en de 1evloot, die helemaal klaar is, is van wal gestoken en heeft Portland verlaten." 

De teerling is geworpen  

"Vandaag, (nvdr. 31 juli) zo schrijft baron Beyens, onze ambassadeur in Berlijn, kwam er een einde aan de keizerlijke aarzelingen (nvdr. Duitse aarzelingen) onder druk van de militaire entourage en van het hoofd van de generale staf en de officieuze Lokal Anzeiger kondigde het nieuws aan van de afkondiging van de staat van oorlog, "im Kriegszustand", van het Duitse keizerrijk. Laat daar geen misverstand over bestaan, dit is de voorbereiding op de mobilisatie, of veeleer de mobilisatie zelf. (…) Ik heb deze ochtend om 11 uur de ambassadeur van Rusland ontmoet en daarna ben ik naar de ambassadeur van Frankrijk gegaan. Geen van beiden was op de hoogte van het nieuws van de algemene mobilisatie van de vloot en van het leger, die onmiddellijk was bevolen door de regering van de tsaar. Het bericht, dat telegrafisch werd bezorgd door Graaf von Pourtalès, is hier toegekomen tijdens de buitengewone vergadering die werd gehouden door de Bundesrat (nvdr. de federale Raad). Het werd onmiddellijk ter kennis gebracht van de keizer, die als antwoord daarop de Kriegszustand uitriep, die alleen maar de voorbode is van de algemene mobilisatie van het Duitse leger. (…) De Kriegszustand zal morgen worden gevolgd door het bevel tot algemene mobilisatie. De Duitse regering overhandigde vandaag aan de regering van de tsaar een ultimatum waarin wordt geëist dat de oekaze met betrekking tot de mobilisatie binnen een termijn van 12 uur zou worden ingetrokken. Een ander ultimatum werd gericht tot de regering van de Republiek om de militaire voorbereidingen stop te zetten binnen een termijn van 18 uur. (…)' Rusland wil oorlog', zo voegde de staatssecretaris er aan toe (nvdr. Arthur Zimmermann, Duits staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken), 'dat zij er dan maar de verantwoordelijkheid voor draagt!' Vervolgens werd eer betoond aan de bemiddelende mogendheden. (…) De heer Zimmermann sprak me toe op kalme, vastberaden, maar bedroefde toon, zoals iemand zou doen die geconfronteerd wordt met de grootste catastrofe die de Europese beschaving ooit heeft bedreigd. Ik verlies mij in gissingen over de drijfveren die de gebeurtenissen in een stroomversnelling hebben gebracht en hebben ingespeeld op de geest van de tsaar. Op die manier heeft hij de wensen van de Duitse en Oostenrijkse regeringen bij voorbaat vervuld, die hem met een schijn van waarheid de verantwoordelijkheid toedichten voor deze vreselijke oorlog." Terzelfder tijd schrijft onze minister van Buitenlandse Zaken hem de volgende brief: "De internationale situatie is ernstig: de eventualiteit van een conflict tussen verschillende mogendheden blijft onze bezorgdheid opwekken (…) Alle maatregelen nodig om te garanderen dat onze neutraliteit ongeschonden blijft, werden reeds genomen door de regering van de koning. Het Belgische leger is gemobiliseerd en ontplooit zich op strategische posities die werden uitgekozen om de verdediging van het land en het respect van zijn neutraliteit te garanderen. De forten van Gent en aan de Maas zijn in staat van verdediging." 
Ons gezantschap in Parijs schrijft ons op 31 juli: "Ik heb u zopas de militaire berichten getelegrafeerd die de heer de Margerie mij heeft bezorgd (nvdr. Pierre de Margerie is een Franse diplomaat, politiek directeur bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in augustus 1914). Duitsland heeft zijn leger in de gevaarlijke staat van oorlog gebracht; dat impliceert een verstrenging van de reeds genomen maatregelen. Rusland heeft belangrijke beslissingen genomen voor zijn spoorwegen.  Diezelfde dag bezorgt baron Wilhelm Eduard von Schoen, ambassadeur van Duitsland in Parijs, aan de Franse premier, René Viviani, een ultimatum afkomstig van kanselier Bethmann-Hollweg waarin Frankrijk 18 uur de tijd heeft om zijn neutraliteit in het conflict tussen Duitsland en Rusland aan te kondigen." Frankrijk beantwoordt het ultimatum niet. Von Schoen had tot taak om te zorgen voor een weigering vanwege Frankrijk en kon met dat doel voor ogen "de overdracht van de forten van Tour en Verdun" eisen als waarborg voor de neutraliteit. Hij zal zijn post vier dagen later verlaten, nadat hij de dag ervoor een nota had overhandigd aan Viviani, waarin de Duitse regering zich beschouwde als zijnde in staat van oorlog met Frankrijk.

Op 31 juli geeft onze vertegenwoordiger in Wenen uiting aan zijn verbazing: "Het verbaast mij om te zien met welke zorgeloosheid en tegelijkertijd met welk egoïsme men zich hier in een avontuur stort dat voor heel Europa de verschrikkelijkste gevolgen zou kunnen hebben." Op 1 augustus publiceren de twee officiële kranten van de Oostenrijks-Hongaarse regering: "Via een officieel bericht van 31 juli van dit jaar, heeft zijne keizerlijke en apostolisch koninklijke hoogheid het behaagd om het bevel te geven tot algemene mobilisatie van het leger, de oorlogsmarine (…). Deze beslissing is ingegeven door de mobilisatie die werd afgekondigd in Rusland. De beslissing (…) impliceert geen enkele agressieve strekking en is - integendeel - uitsluitend een voorzorgsmaatregel genomen voor de onherstelbare verdediging van de monarchie." Op 31 juli brengt ons gezantschap in Sint-Petersburg ons via een vertrouwelijke brief ervan op de hoogte "dat de mobilisatiemiddelen van Rusland veel trager tot stand komen dan die van Oostenrijk. Men citeert Boekovina als plaats waarlangs het Russische leger een poging zou kunnen ondernemen om door te dringen tot het Oostenrijks grondgebied." Telegram van 1 augustus van ons gezantschap in Berlijn: "Algemene mobilisatie vloot en leger gedecreteerd eerste dag van de mobilisatie 2 augustus". De minister van Buitenlandse Zaken neemt onze ambassadeur in Sint-Petersburg in vertrouwen en bevestigt hem dat "de Duitse ambassadeur zeer ontroerd was toen die hem de oorlogsverklaring overhandigde en dat hij zelfs in tranen was (...) Graaf von Pourtalès was er steeds van overtuigd dat de Russen niet zouden marcheren." "De keizerlijke minister van Buitenlandse Zaken ontving dit bericht met veel kalmte, en verklaarde aan de ambassadeur dat alle verantwoordelijkheid voor elke druppel bloed die zou vloeien, op de schouders van Duitsland zou rusten."
 Op 31 juli mobiliseert België aan de hand van affiches en via de pers, en ondanks het feit dat het leger niet is voorbereid en de onenigheden binnen de generale staf, was deze algemene mobilisatie toch een succes. Diezelfde dag verklaart onze ambassadeur in Londen aan Sir Francis Villiers, een Brits diplomaat, dat "Groot-Brittannië en de andere naties die garant staan voor onze onafhankelijkheid, er zeker kunnen van zijn dat we alles zullen doen wat in onze macht ligt om onze neutraliteit in stand te houden en hij voegt eraan toe dat onze aanzienlijke troepen die werden ontplooid (nvdr. het Belgische leger beschikt over ongeveer 200.000 manschappen, veldtroepen en fortgarnizoenen) als gevolg van onze recente reorganisatie, in staat zijn om ons te behoeden voor elke poging tot schending van het grondgebied." 

Vanaf de 1e augustus, wanneer Duitsland de oorlog verklaart aan Rusland, had de Duitse generale staf reeds beslist om het fameuze "Schlieffen"-plan toe te passen (nvdr. plan genoemd naar generaal von Schlieffen die de stafchef was van het Duitse leger van 1891 tot 1905). Het principe ervan is eenvoudig. Berlijn wil te allen prijze een oorlog op twee fronten vermijden. Het komt er dus op aan om de Fransen in het Westen in een paar weken tijd te verslaan, de tijd die de Russen nodig hebben om te mobiliseren, om zich daarna met zijn hele troepenmacht te storten op de legers van de tsaar. Om Frankrijk zeker te kunnen verslaan, is Duitsland van mening dat de beste manier daartoe een snelle doortocht door België is waardoor het Duitse leger kan doorstoten naar Parijs en het gros van de Franse troepen in de flank kan aanvallen. In een brief van de dag erna, blijkt de wanhoop van onze bevoorrechte getuige in Wenen: "De teerling lijkt geworpen en de algemene oorlog onafwendbaar. Duitsland heeft het bevel gegeven tot mobilisatie (…) Russische patrouilles hebben de grens van het Duitse keizerrijk overgestoken."
De Franse mobilisatie werd gerealiseerd in 17 dagen, van 2 tot 18 augustus 1914, en omvatte het vervoer, de kledij, de uitrusting en bewapening van meer dan 3 miljoen mannen in alle Franse gebieden, in hoofdzaak in het moederland maar ook in bepaalde kolonies, alsook het transport van de troepen per spoorweg vooral naar de Frans-Duitse grens van toen.
Op 2 augustus schrijft ons gezantschap ons over de sfeer in de Franse hoofdstad: "Het leven wordt zeer moeilijk in Parijs; het oproepen van alle Fransen tot de leeftijd van 48 jaar, zonder daarbij de vrijwilligers te tellen en het vertrek van de vreemdelingen opgeroepen door hun eigen regeringen, ontwricht de Franse maatschappij. Talloze winkels hebben hun deuren gesloten, dat geldt ook voor verschillende grote hotels, de meeste openbare diensten slagen er niet meer in om in de eigen behoeften te voorzien. Het is zeer moeilijk om nog voertuigen te vinden (nvdr. paardenkarren) of automobielen; trams en metro rijden nog maar gedeeltelijk; alle autobussen werden opgeëist, wat ook geldt voor private automobielen; in de winkels zijn bepaalde waren niet meer te vinden en de prijzen zijn de pan uit gerezen. Vandaag is het moeilijk om nog aan melk en zout te geraken. Stations kennen een ware overrompeling en het wordt moeilijk om Parijs nog te verlaten." En: "Er hebben reeds verschillende manifestaties plaatsgevonden (…); verschillende min of meer Duitse winkels worden vernield of geplunderd."

Duits ultimatum aan België

In de avond van 2 augustus neemt de ontstelde Belgische regering kennis van het Duits ultimatum: de troepen van het Reich dienen een vrije doorgang te krijgen of het land stelt zich bloot aan oorlog. "De veiligheid van Duitsland dwingt de troepen van het Rijk ertoe om door te dringen tot op het Belgische grondgebied", zo staat te lezen in de nota die in Brussel werd overhandigd. Dit is de tekst van het ultimatum: "De Duitse regering heeft betrouwbare informatie ontvangen waaruit blijkt dat Franse troepen het plan zouden hebben opgevat om op te trekken naar de Maas via Givet en Namen. De Duitse keizerlijke regering kan zich niet ontdoen van de vrees dat België, ondanks zijn beste wil, niet in staat is om de oprukkende Fransen tot staan te brengen. Het is dan ook een keizerlijke taak met het oog op het behoud van Duitsland, om deze aanval van de vijand te voorkomen. Als België zich vijandig opstelt tegenover de Duitse troepen en in het bijzonder hun opmars bemoeilijkt, zal Duitsland verplicht zijn om België als een vijand te beschouwen". Deze vraag is het logisch gevolg van de wil om het Schlieffen-plan toe te passen, dat er in hoofdzaak in bestaat om het gros van de Duitse troepen langs de westelijke grenzen van het Reich te concentreren en daarbij slechts in te staan voor een minimale bescherming in het oosten tegen het Russische gevaar. Dit plan houdt wel een vrije doortocht in door België of, bij gebrek daaraan, een gedwongen doortocht met een schending van de neutraliteit van België.  Berlijn belooft om België zo snel mogelijk te verlaten en verbindt er zich toe om een schadevergoeding te betalen. De Belgische regering krijgt 12 uur de tijd om een antwoord te geven.  Het getuigt wel van bijzondere humor om te gaan verkondigen dat men een land gaat binnenvallen om bij te dragen tot de eigen verdediging. Na ontvangst van het ultimatum roept koning Albert I meteen zijn ministers en generaals samen die de hele nacht zullen beraadslagen over de maatregelen die genomen moeten worden om de op til zijnde invasie te pareren. Op maandag 3 augustus, om 7 uur in de ochtend, wordt een duidelijk antwoord overhandigd aan het Duits gezantschap. België verkiest zich te verdedigen; dit antwoord arriveert in Berlijn kort na de middag. Later die avond doet de kaiser een persoonlijk oproep aan koning Albert, een ultieme poging om de vrije doortocht te verkrijgen van zijn troepen op Belgisch grondgebied. Deze boodschap heeft als enig resultaat dat de koning in woede ontsteekt en hij onmiddellijk het bevel geeft om de bruggen over de Maas in Luik te vernietigen, alsook die langs de Luxemburgse grens. Terzelfder tijd belast hij generaal Gérard Leman, commandant van het fort van Luik, om tot het einde stand te houden. Deze door de wol geverfde militair (hij treedt in 1867 als leerling toe tot de militaire school en verlaat de academie als eerste in zijn lichting in 1872 met de graad van luitenant van de genie), zal het vertrouwen van zijn opperbevelhebber niet beschamen. De oude leeuw en zijn manschappen zullen veel beter dan verwacht standhouden.
De weigering van het ultimatum uit Berlijn wordt nog gekenmerkt door de proclamatie van de "koning-soldaat", die zich op 4 augustus in uniform en te paard naar het Paleis der Natie begeeft en de verzamelde kamers toespreekt: "Een land dat zich verdedigt, dwingt ieders respect af; dat land vergaat niet. God zal ons bijstaan in deze rechtvaardige zaak. Leve het onafhankelijke België".  Diezelfde 4e augustus 1914 verklaarde Duitsland de oorlog aan België.

Ik ken enkel nog Duitsers 

Op 4 augustus 1914 verzamelde keizer Wilhelm II in Berlijn de vertegenwoordigers van alle partijen die zetelen in de Reichstag en proclameert in een toespraak: "Ik ken geen partijen meer, ik ken enkel nog Duitsers! En als bewijs van het feit dat ze eensgezind, ongeacht partij, oorsprong of confessie, met mij zullen staan tot het einde, tegenspoed en dood zullen trotseren, vraag ik de partijleiders om een stap naar voren te doen en me dat te beloven. Deze woorden kunnen rekenen op een stevige aanhang bij de parlementsleden, zelfs bij de meerderheid van de oppositiepartij, de Duitse sociaal-democraten (SPD). De meerderheid van de parlementsleden schaart er zich achter. Een van de belangrijkste redenen daarvoor is het feit dat de regering erin geslaagd is om tijdens de juli-crisis de opinie ervan te overtuigen dat het Duitse Rijk voor een defensieve oorlog stond tegen Rusland. Hetzelfde geldt voor een groot deel van de SPD en de vakbonden. De Reichstag keurt daarop de noodzakelijke oorlogskredieten goed. Terwijl de SPD enkele dagen daarvoor nog massamanifestaties voor de vrede had georganiseerd, maakt ze na de start van het conflict een heuse ommezwaai. Pacifisten en politici die ijveren voor de klassenstrijd en het internationalisme, zoals Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, raken geïsoleerd. Overtuigde reformisten zoals Eduard David, Wolfgang Heine en Ludwig Frank slagen erin om de goedkeuring van oorlogskredieten gedaan te krijgen in de korte tijdspanne tussen het begin van de Eerste Wereldoorlog, op 1 augustus, en de beslissing van de Reichstag op 4 augustus 1914. De SPD, en dan vooral de rechtervleugel, maakt van de gelegenheid gebruik om komaf te maken met de beschuldiging als zouden de sociaaldemocraten vaderlandslozen zijn.

De Duitsers steken de grens over

In de ochtend van 4 augustus steken de troepen van generaal Otto von Emmich de Belgische grens over. Het duurt niet lang of er worden de eerste geweerschoten gewisseld tussen ruiters en Belgische troepen op de fiets, die een onverwacht taaie weerstand bieden aan de Duitse opmars. De Duitse ruiters verdelen strooibriefjes waarin elke agressieve intentie wordt ontkend; dit herinnert qua vorm aan de oproep van de kaiser aan de koning: "zijn vriendelijkste bedoelingen". Op 6 augustus is de toestand chaotisch in beide kampen. Het Duitse opperbevel, verrast door de opmerkelijke Belgische taaiheid, diende de troepen terug te trekken die stevig werd aangepakt door de Belgen tijdens de eerste gevechten; de Belgen zelf zijn uitgeput door hun strijd tegen de Duitse overmacht. Wanneer de Duitsers doorstoten tot Luik, treffen ze er bruggen aan beide kanten van de stad aan die volledig werden vernield; de bevelen van de koning, die drie dagen eerder werden uitgereikt, werden tot op de letter uitgevoerd. Deze toestand is eveneens het bewijs van het patriottische elan, van de wilskracht van onze soldaten en van hun vastberadenheid om de progressie van de vijand een halt toe te roepen; waarbij ze de waarschuwingen naast zich neerleggen dat vernietigingen worden beschouwd als zijnde "vijandelijke daden".  Op 4 augustus, de eerste dag van de invasie, worden zes gijzelaars geëxecuteerd in Warsage en wordt het dorpje Battice volledig in de as gelegd. "Onze opmars door België is ongetwijfeld brutaal, zo schrijft von Moltke (Pruisisch generaal, die instond voor het bevel gedurende de eerste zes weken van de Eerste Wereldoorlog) op 5 augustus, maar we vechten voor ons eigenste bestaan, en iedereen die onze opmars dwarsboomt, dient daar de gevolgen van te dragen."

Belgique envahie

Kostbare tijdwinst

België stuurt op 4 augustus eenzelfde boodschap naar de drie mogendheden van de Triple Entente: "De regering van België moet tot haar spijt de regering (...) (nvdr. van Frankrijk, Engeland en Rusland) meedelen dat deze ochtend Duitse troepen zijn doorgedrongen op het Belgisch grondgebied en dat daarbij de verbintenissen die werden vastgelegd in een verdrag, werden geschonden. De regering van de koning is vastberaden om weerstand te bieden met alle middelen die ze tot haar beschikking heeft. België doet een oproep tot Engeland, Frankrijk en Rusland om, als borgstellers, mee te werken aan de verdediging van zijn grondgebied. Er dient een gezamenlijke actie te komen die tot doel heeft om weerstand te bieden aan de troepen die door Duitsland werden ontplooid tegen België en die tegelijkertijd de onafhankelijkheid en integriteit van België dient te garanderen in de toekomst. België is blij te kunnen verkondigen dat ze de verdediging van haar forten op zich zal nemen." En het land zal dit met verve doen want daar waar von Schlieffen, die zijn plan in 1912 nog had aangepast, maar één enkele divisie had voorzien om Luik en Namen te belegeren, waren er eigenlijk acht nodig enkel en alleen om Luik tot overgave te dwingen ten koste van veel tijd en verliezen die worden geschat op ongeveer 5300 gesneuvelden. Vijf Duitse invasielegers (1 miljoen man) dienden in enkele dagen tijd door Limburg, Luik, Henegouwen, Brabant, Namen en Luxemburg te trekken. Ze deden er in werkelijkheid meer dan drie weken over. In Luik begon de belegering op 5 augustus 1914 door een aanval op de intervallen tussen de forten rond de stad, en eindigde op 16 augustus 1914 door de overgave van het laatste fort.
Op 5 augustus legt koning Albert een verklaring af "Aan het leger van de natie" waarin hij de feiten op een rijtje zet: "Zonder de minste uitdaging van onzentwege, heeft een gebuur, hoogmoedig door zijn kracht, de verdragen verscheurd, welke zijn handtekening dragen en schendt hij het grondgebied onzer vaderen. Omdat wij eigenwaarde betracht hebben, omdat wij geweigerd hebben eerbreuk te plegen, valt hij ons aan. Doch gans de wereld bewondert onze trouwe houding." Het eindigt met zijn voornemen om het opperbevel van het leger op zich te nemen: "Soldaten! Ik vertrek uit Brussel om mij aan uw hoofd te stellen."

Van onze ambassadeur in Londen vernemen wij dat "De kamers 100 miljoen pond sterling hebben goedgekeurd voor de oorlog alsook een oproeping van 500.000 mannen. De ambassadeurs van Frankrijk en Rusland hebben de minister van de koning gefeliciteerd met het heroïsche gedrag van het Belgische leger dat, door de opmars van de Duitsers te vertragen, de Duitsers ertoe verplicht heeft om hun aanvankelijke plannen bij te sturen en op die manier de vijanden van Duitsland de tijd heeft gegeven om de troepenmacht ten gunste van de algemene defensie te concentreren. Momenteel zijn de voorbereidingen aan de gang voor het uitsturen van het expeditieleger. De eerste transporten van levensmiddelen en materieel zullen op zondag 9 augustus van deze maand (nvdr. augustus) worden gestart, waarna de troepen zullen worden ingescheept; men voorziet dat tegen het einde van volgende week, met andere woorden omstreeks de 15e, de 100.000 manschappen van het expeditieleger verzameld zullen zijn op de Franse kust. (…) Vandaag (nvdr. waarschijnlijk 7 augustus) is de bewondering in deze landen voor België grenzeloos.  In militaire kringen wordt gedronken op de moedige Belgen. Kranten van allerlei strekking loven onze natie."

Luik ontvangt Légion d'Honneur

Op 7 augustus stuurt het hoofd van het Franse gezantschap in België, Antony Klobukowski, Frans diplomaat met Poolse roots, naar Parijs het volgende telegram: "Luik blijft met succes nieuwe en hevige aanvallen afslaan. Vier dagen lang heeft de stad met beperkte manschappen drie legerkorpsen tot staan gebracht. Duitsers verzochten om wapenstilstand om hun doden te begraven. De forten houden nog stand. Situatie in België uitstekend op alle vlakken." De moed van ons leger wordt overal in Frankrijk bejubeld, onze consul in Lyon rapporteert aan Julien Davignon dat "verschillende regimenten voor het consulaat zijn gepasseerd waar de Belgische vlag werd ontrold; ik had gewenst, meneer de minister, dat u het gejubel kon horen en de blijken van sympathie kon zien vanwege officieren en manschappen. Het bedachtzame enthousiasme, zonder overmaat, de sterkste wilskracht, de meest kordate moed wordt gedeeld door iedereen Moge de glorierijke dagen die reeds op het palmares prijken van de Belgische strijdkrachten, blijven duren en zo snel mogelijk de beste afloop alsook de zege brengen voor zij die de handen in elkaar slaan en maar één zaak verdedigen: de vrijheid."  Op 8 augustus kent Raymond Poincaré, president van de Franse republiek, het Légion d'Honneur toe aan de stad Luik. Wanneer onze ambassadeur, baron Paul Guillaume, hem wilde bedanken, "wilde hij mijn bedankingen niet aanvaarden, zeggende dat hij het was die mij wilde bedanken en feliciteren. Ik vertelde hem ook ronduit dat volgens mij, Frankrijk de vier onschatbare dagen vertraging in de Duitse mobilisatie, aan ons te danken heeft. Hij is daarvan overtuigd. (...) Het Franse leger is dus in België; maar dit zijn nog maar de voorposten; over vier dagen zal het gros van de Franse troepen aan onze zijde staan. Hij gaat er zelfs van uit dat Franse soldaten reeds slag geleverd hebben met Duitsers op ons grondgebied." De Belgische weerstand zal ook het valse geloof van de Duitsers in de franc-tireurs nog verergeren. Dat geloof werd trouwens nog verspreid door de soldaten die men had voorgespiegeld dat de doortocht door België een wandeling in het park zou zijn, wat uiteindelijk anders zou uitdraaien. Het was echter veel makkelijker om de schuld van die moeizame doortocht in de schoenen te schuiven van terroristen en te wijten aan de vijandigheid van de bevolking, dan de verantwoordelijkheid daarvan te leggen bij een eigen verkeerde inschatting. Zo werd de precisie van de schoten van de Luikse fortenbatterijen door de Duitsers niet toegeschreven aan de vaardigheid van onze kanonniers, maar aan het feit dat burgers, door allerlei tekens te geven, onze batterijen in staat stelden om hun schot beter te richten. Die Duitse obsessie met de franc-tireurs gaat terug tot de Frans-Pruisische oorlog van 1870. Sindsdien staat in alle militaire handboeken beschreven hoe gevaarlijk deze vrijschutters kunnen zijn voor een geregeld leger. De oplossing die wordt voorgesteld voor het probleem, is het nemen van gijzelaars. Bij een eventuele aanslag konden die dan bij wijze van represaille geëxecuteerd worden. Deze instructies werden ook op het terrein toegepast en de gruwel nam de eerste drie weken alleen maar toe. Er wordt gewag gemaakt van grootschalige slachtpartijen onder de burgers; zoals in Andenne, waar 211 mensen worden vermoord. In Tamines vallen 384 burgerslachtoffers en in Dinant 674. Deze slachtpartijen zullen het Duitse leger met schande overladen en de "verkrachting van België" wordt een wederkerend thema in de geallieerde propaganda, zelfs over de wereldzeeën.  Deze verschrikkingen krijgen jammer genoeg nog vaak de kans om tot uiting te komen, en nemen nog toe naarmate de oorlog voortduurt in de tijd en in de ruimte, maar het vervolg is militaire geschiedenis.