Twintig jaar later: de Rwandese genocide herdacht

Datum: 04 april 2014

Genocide Rwanda

Op 7 april zullen minister van Ontwikkelingssamenwerking Jean-Pascal Labille en vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders België vertegenwoordigen in Kigali, waar de 20ste verjaardag van de Rwandese genocide wordt herdacht. In 1994 werden zo’n 800.000 Rwandezen, het merendeel Tutsi’s, op brutale wijze afgeslacht. Die wreedheden duurden honderd dagen. Twintig jaar al ondersteunt de Belgische Ontwikkelingssamenwerking het Rwandese verzoeningsproces door middel van allerhande acties. En hoewel nog lang niet alles peis en vree is, werden toch enkele belangrijke mijlpalen gehaald. 

Minister van Ontwikkelingssamenwerking Jean-Pascal Labille licht toe: “België was in 1994 mee verantwoordelijk voor het bloedbad in Rwanda. We moeten ons daarvan bewust zijn en onze fouten uit het verleden erkennen, ter nagedachtenis van de slachtoffers, maar ook om samen te bouwen aan een toekomst gestoeld op sociale rechtvaardigheid, solidariteit en menselijke emancipatie. Dat is wat ik als minister van Ontwikkelingssamenwerking graag verwezenlijkt zou zien.”


Speciaal Rwandatribunaal (ICTR)

We moeten evenwel niet alleen de slachtoffers herdenken – ook de overlevenden mogen we niet vergeten. Bouwen aan een harmonieuze samenleving is pas mogelijk wanneer er voor hen gerechtigheid geschiedt. En dat is precies wat het straftribunaal voor Rwanda beoogt.

Op 8 november 1994 richtte de VN-Veiligheidsraad op grond van Resolutie 955 het internationaal straftribunaal voor Rwanda op (International Criminal Tribunal for Rwanda - ICTR), gevestigd in Arusha. De bevoegdheden van het tribunaal worden duidelijk in zijn statuten vastgelegd. Het tribunaal is bevoegd om personen te vervolgen die verantwoordelijk geacht worden voor genocide, misdaden tegen de menselijkheid of ernstige inbreuken op het internationaal humanitair recht (of oorlogsmisdaden) die tussen 1 januari en 31 december 1994 op Rwandees grondgebied of door Rwandese burgers in de omliggende staten werden gepleegd. Het ICTR, een bij uitstek ad hoc instantie, werd opgericht voor een bepaalde duur, die echter niet bij aanvang werd vastgelegd.

Welke balans kunnen we 20 jaar later opmaken?

98 personen werden door het ICTR in staat van beschuldiging gesteld:

  • 75 van hen werden berecht: 47 rechtszaken hebben tot een veroordeling geleid, 16 vonnissen zijn nog in beroep en 12 beschuldigden werden vrijgesproken;
  • 10 beschuldigden werden doorverwezen naar een nationale rechtbank voor verdere berechting;
  • de aanklachten tegen 2 beschuldigden werden ingetrokken;
  • 2 beschuldigden zijn overleden nog voor een vonnis werd uitgesproken; 
  • 9 beschuldigden zijn vandaag op de vlucht.

Om de werking van het tribunaal te beoordelen, mogen we echter niet alleen op deze cijfers afgaan. Hoewel het ICTR doorgaans wel de kopstukken vervolgde, werden anderen voor Rwandese rechtbanken of in andere landen, waaronder België, berecht op basis van hun nationale wetgeving.


Gacaca of volksrechtbanken

Een beroep doen op de Rwandese traditie om meer dan één miljoen personen te vervolgen die ervan beschuldigd worden tussen 1 januari en 31 december 1994 genocidemisdaden in Rwanda te hebben gepleegd, lijkt dé oplossing om de verschillende gemeenschappen met mekaar te verzoenen en de procedures sneller te laten verlopen. In 2005 worden door de Rwandese overheid zo’n 12.000 volksrechtbanken ingericht. De ‘Gacaca’ komen oorspronkelijk uit het traditionele recht en worden in ere hersteld, met aan het hoofd door de bevolking verkozen burgerrechters, of ‘inyangamugayo’ in het Kinyarwanda, die de personen beschuldigd van oorlogsmisdaden of genocidemisdaden in Rwanda in 1994 zouden vervolgen. Het doel? Een verzoeningsproces op gang brengen, een einde stellen aan straffeloosheid, de waarheid achterhalen en de gevangenissen ontlasten. Een gewaagde onderneming waaraan België zijn steun verleent via de begeleiding van ngo's ter plaatse, logistieke inbreng en een programma ter ondersteuning van de Rwandese justitie. Totale kostprijs: 8,1 miljoen euro voor de SNJG (Service National des Juridictions Gacaca) en 12 miljoen voor de ngo’s, voornamelijk Advocaten Zonder Grenzen (AZG) en Penal Reform International (PRI). Tot mei 2012 werden zo’n 1,2 miljoen vonnissen geveld. De meesten werden veroordeeld tot het uitvoeren van dwangarbeid voor het algemeen nut.


Gematigde balans

Gelet op de ernst en de complexiteit van de situatie op het ogenblik dat de gerechtelijke procedures werden opgestart, maar ook de wil van de Rwandese overheid om een einde te maken aan de straffeloosheid, mogen we stellen dat de meeste doelstellingen grotendeels werden verwezenlijkt, hoewel dat niet zonder fouten is verlopen. Heel wat vonnissen bleken onjuist. De ngo's betreuren eveneens dat er geen advocaten aanwezig waren en dat het Gacacasysteem geen garanties bood voor een eerlijk proces.

Copyright foto: © Kwibuka Flame of Remenberance/Kwibuka – All rights reserved