Interview met Jean-Pascal Labille, nieuwe minister van Ontwikkelingssamenwerking: ‘Beleidscoherentie en doeltreffendheid zijn prioritair’

Datum: 22 februari 2013
Jean-Pascal Labille

Op 17 januari 2013 werd Jean-Pascal Labille benoemd tot nieuwe minister van Ontwikkelingssamenwerking (volledige titel: minister van Overheidsbedrijven en Ontwikkelingssamenwerking, belast met Grote Steden). Daarmee volgt hij Paul Magnette op. We legden hem enkele vragen voor over zijn visie op ontwikkelingssamenwerking.


Welke aspecten van uw vorige beroepservaring kunt u voor ontwikkelingssamenwerking gebruiken? Hoe stond u er tegenover voordat u minister werd?

Ik zie ontwikkelingssamenwerking als een van de meest concrete uitingen van solidariteit. Omdat dit soort hulp niet meteen verband houdt met onze dagelijkse beslommeringen, is ze in wezen belangeloos. Ontwikkelingssamenwerking staat voor de bewustwording van onze plichten als wereldburger. Dat is een waardevolle les die me al zeer jong werd bijgebracht en die later de leidraad werd bij mijn werkzaamheden aan het hoofd van de Socialistische Ziekenfondsen.

Hebt u tijdens uw vorige werkervaring specifieke ervaring met de civiele samenleving opgedaan? Hoe ziet u de betrekkingen met de ngo’s in uw nieuwe functie?

Ngo’s zijn een van de belangrijkste actoren. Laat me het zo stellen dat politici verantwoordelijk zijn voor de besluitvorming, en de ngo’s voor de acties op het terrein. Daarom wil ik met de ngo’s dezelfde relaties onderhouden als mijn voorganger Paul Magnette. Wij streven allemaal hetzelfde doel na. Mijn beroepservaring leerde me dat we samen sterker staan om ambitieuze doelstellingen te verwezenlijken. En er wachten ons een aantal grote dossiers: de beleidscoherentie voor ontwikkeling, de doeltreffendheid en doelmatigheid van onze hulp, de middelen voor de uitvoering van de internationale verbintenissen die we zijn aangegaan, enz. Al deze uitdagingen vereisen een nauwere samenwerking, meer bepaald met de ngo’s.

Er wordt vaak gesproken over beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling. Hoe ziet u dat?

Coherentie is een van de beleidslijnen van mijn voorganger waaraan ik de komende maanden concreet uitvoering wil geven. In 2013 plan ik daarover een Interministeriële Conferentie. Daarnaast wordt de samenwerking met andere federale departementen en gedecentraliseerde overheden versterkt: met de FOD Financiën voor alles wat betrekking heeft op de Wereldbank en het IMF, met de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor alles wat betrekking heeft op FINEXPO en de Nationale Delcrederedienst, met de gewesten en gemeenschappen op complementaire bevoegdheidsgebieden.

Welke adviezen heeft uw voorganger, Paul Magnette, u meegegeven?

Toen Paul zijn ministerportefeuille aan mij overdroeg, zei hij: "Ontwikkelingssamenwerking hoog op de agenda van de regering krijgen, dat zal wellicht je moeilijkste opdracht zijn. Laat je onder geen beding van die opdracht afbrengen." En ik zeg u dan ook met stelligheid dat dat mijn grootste betrachting is.

Kunt u zich vinden in zijn beleid? Welke zijn uw prioritaire aandachtsgebieden?

Met de huidige crisis is het van het grootste belang een zo doeltreffend mogelijk beleid voor ontwikkelingssamenwerking te voeren. Ik werk dus verder met de prioritaire aandachtsgebieden van Paul Magnette, met name de beleidscoherentie en de doeltreffendheid.

Beleidscoherentie is een niet te onderschatten opdracht. Door de herziening van de wet van 25/05/1999 betreffende internationale samenwerking kreeg beleidscoherentie een wettelijke grondslag, het is nu op alle beleidsmaatregelen van de federale regering van toepassing. Daarom wordt in 2013 een operationeel mechanisme in het leven geroepen via de oprichting van een Interministeriële Conferentie, een Interdepartementale Commissie en een Adviesorgaan en via het uitwerken van een impacttest en het bepalen van de reikwijdte hiervan.

Ook de doeltreffendheid van de Belgische officiële ontwikkelingshulp is prioritair. Een nieuw koninklijk besluit beoogt een betere afstemming van de interventies van ngo’s, vakorganisaties, universiteiten, steden en gemeenten enz. op de noden van hun partners, meer synergie tussen de Belgische actoren, en een betere onderlinge werkverdeling op basis van de specifieke expertises. De interventies van de niet-gouvernementele actoren worden ook beter afgestemd op de landenprogramma’s van de gouvernementele samenwerking.

België ging de verbintenis aan om tegen 2015 0,7% van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Maar de ‘buitengewone budgettaire omstandigheden’ gooiden roet in het eten. Hoe denkt de regering haar verbintenissen alsnog na te komen?

Vooreerst mogen we niet uit het oog verliezen dat België nog steeds een van de grootste donoren is in relatieve termen (6e-7e plaats, afhankelijk van het jaar) en zelfs in absolute termen (13e).

Op het budget 2013 wordt 0,51% uitgetrokken voor de Belgische ontwikkelingshulp, wat nog steeds in de lijn ligt van de verbintenissen binnen de Europese Unie om tegen 2015 de doelstelling van 0,7% te halen. Maar de daling naar 0,54% in 2011 en misschien 0,47% in 2012 is een alarmsignaal dat ons opnieuw op de goede weg moet zetten zodra de economische situatie het mogelijk maakt.

Net zoals de overige federale departementen, heeft ook Ontwikkelingssamenwerking inspanningen moeten leveren om de nodige bezuinigingen te kunnen doorvoeren en zodoende trouw te blijven aan de, evenzeer Europese, verbintenissen om het nationale begrotingstekort in te perken.

Is dat jammer? Ja. Komt het Belgische aandeel voor ontwikkelingssamenwerking daardoor in gevaar? Ik zal al het nodige doen om dat te voorkomen. We moeten niet alleen het tij keren, maar ook voorrang geven aan een betere doeltreffendheid, iets waar ik nauwlettend op zal toezien.

We bevinden ons in de laatste rechte lijn om de Millenniumdoelen tegen 2015 te halen. Wat kunnen we doen om ze te halen?

De huidige context van crisis en bezuinigen maakt het moeilijk, maar we mogen niet ontmoedigd raken. Integendeel, we moeten ervoor zorgen dat de beleidsmaatregelen die we uitvoeren, een hefboomeffect hebben.

Dat is des te noodzakelijker omdat er in de komende maanden een fundamenteel debat gevoerd wordt over post-2015. Het moet een participatief debat zijn dat rekening houdt met de sterke en zwakke punten van het MDG-kader en met de geboekte resultaten.

Namens België zal ik pleiten voor een nieuw kader dat wordt uitgebreid met doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, met de garantie dat de minst ontwikkelde en meest kwetsbare landen bijzondere aandacht krijgen. Daarnaast pleit ik voor een op rechten gebaseerde ontwikkeling, zoals het recht op ontwikkeling, het recht op gezondheid, het recht op onderwijs, water en voedsel, fatsoenlijk en duurzaam werk, sociale bescherming, toegang tot energie enz.

Momenteel wordt Mali geteisterd door een zware politieke en humanitaire crisis. Overweegt België bijzondere maatregelen?

De gebeurtenissen in Mali hebben de Belgische Ontwikkelingssamenwerking ertoe gedwongen al in maart 2012 een aantal maatregelen te nemen. De lopende projecten in het noorden van Mali werden door de onveilige situatie opgeschort. De institutionele steun aan de voogdijministeries van onze concentratiesectoren werd bevroren.

België blijft evenwel zijn steun verlenen aan ngo-projecten en aan de humanitaire hulp. Wat de gouvernementele samenwerking betreft, konden de activiteiten die de bevolking rechtstreeks ten goede komen, twee maanden later worden hervat tot aan het uitbreken van de vijandelijkheden. Zodra de militaire situatie het toelaat, zal ik de resterende bedragen van de projecten die werden stopgezet opnieuw toewijzen in samenspraak met de regering van Mali. De sectoren die voor gouvernementele samenwerking met Mali in aanmerking kwamen (landbouw en voedselzekerheid) en ook de opgeschorte projecten, lijken nog altijd relevant. Twee projecten in het noorden werden evenwel definitief stopgezet. De nog resterende bedragen (ongeveer 4 miljoen euro) kunnen besteed worden aan een multidonorenprogramma. Momenteel bestuderen we een Frans-Canadees voorstel.

Ook de voorbereiding van een nieuw samenwerkingsprogramma werd opgeschort. Zodra de politieke situatie in Mali het toelaat, zal België samen met de Europese Unie werk maken van een gezamenlijke programmering.