Openingstoespraak van minister Labille op de Staten-Generaal van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking

Datum: 07 mei 2013

Madam, Your Excellency Ms. Amina Mohamed,
Your Excellency Mr. Erik Solheim,
Honourable members of the panel,
Ladies and Gentlemen,

It is my great honor to welcome you to the sixth edition of the Meeting of the Belgian Development Cooperation, this year focusing on the post-2015 development framework.

The debate on the post-2015 framework is of major importance for all. In an increasingly multipolar world, being hit by several worldwide crises (financial, economic, climate, food), the search for a new global model for sustainable development has become an urgent necessity for the future of all humanity.

This exercise widely exceeds the development cooperation, because it includes all countries thinking about a world where prosperity is justly shared, where all citizens have access to basic goods and services, a world that recognizes the limits of our planet and of future generations, a world acting for peace, stability and good political, social, economic and environmental governance.

This approach necessarily requires to ensure policy coherence for development, a prerequisite for the new framework to function properly.

Let us never forget that development cooperation is essential. While sending troops consists of spendings, development policy is a real investment.

It indeed helps to create a more stable world, to fight against poverty and to preserve global public goods such as climate and biodiversity and the equitable access to them.

2013 is een scharnierjaar in dit debat.

Enerzijds is een twaalftal jaar na de aanname van de Millenniumverklaring en van de 8 Millenniumdoelen voor ontwikkeling het moment gekomen om een balans op te maken van de gerealiseerde vorderingen en de uitdagingen die we tegen 2015 nog moeten vervullen.

Ik was recentelijk in de DRC, het belangrijkste partnerland van de Belgische samenwerking. We bevinden ons hier nog ver van het bereiken van al was het maar één enkel millenniumdoel tegen 2015.

Met bijna 70% van de bevolking die onder de armoedegrens leeft, behaalt de DRC de 187e plaats voor wat betreft de menselijke ontwikkeling. Dit ondanks de grote economische groei van deze laatste jaren die, het is waar, aan de mijnbouwindustrie te danken is.

De vooruitgang op macro-economisch vlak werd niet door vergelijkbare vorderingen opgevolgd op sociaal vlak, een sector waar de toestand bijzonder zorgwekkend blijft. Tijdens mijn missie maakten twee van mijn gesprekspartners een positieve analyse van de situatie in de DRC: de vertegenwoordiger van het IMF en de vertegenwoordiger van de Wereldbank, met name door de jaarlijkse groei van het BBP van de DRC (ongeveer 7% per jaar). Maar wat is het nut van groei als de voordelen niet eerlijk herverdeeld worden? Kunnen we blij zijn met een dergelijke groei, die geen aandacht heeft voor een groot deel van de bevolking?

Anderzijds zal de internationale gemeenschap het tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september eens moeten worden over de basisprincipes die dit nieuwe partnerschap zullen moeten leiden.

Laten we eerlijk zijn, het worden moeilijke onderhandelingen.

De Conferentie van Rio+20 (juni 2012) gaf al aan hoe moeilijk het is om een globaal programma voor de duurzame ontwikkeling te onderhandelen. Maar er werden verschillende verbintenissen aangegaan, met name:

  • de bepaling van ‘duurzame ontwikkelingsdoelen (SDGs)’ binnen het post-2015 ontwikkelingskader en de opstelling van een indicator ‘die verder gaat van het BBP’;
  • de creatie van een politiek forum op hoog niveau voor de duurzame ontwikkeling als politieke leiding. Dit Forum zal de huidige Commissie van de Verenigde Naties voor de duurzame ontwikkeling vervangen;
  • het in kaart brengen van de financieringsnoden, om een financieringsstrategie van de duurzame ontwikkeling op mondiaal niveau te ontwikkelen.

Deze elementen brengen ons terug op drie prioriteiten die we in het debat zullen moeten verdedigen:

Ten eerste moeten we een nieuw post-2015 partnerschap vinden dat universeel is en alle landen verbindt en de gedifferentieerde uitvoering per land naleeft, in functie van de capaciteiten van elk land.

In dit globaal partnerschap is het fundamenteel om verder te gaan dan het terugdringen van de extreme armoede. De strijd tegen de ongelijkheid en de uitvoering van een universele sociale bescherming, in naleving van de Waardig Werkagenda van de IAO, zijn voor mij prioriteiten die op nationaal en internationaal niveau verdedigd moeten worden.

Europa bevindt zich nu op de scène van het besparingsbeleid dat de sociale verworvendheden aanvalt en elk uitzicht op groei en op economisch en sociale vorderingen verzegelt. De werkloosheid en de onvolledige werkgelegenheid bereiken nieuwe records. Het aantal werkzoekenden of kwetsbare werknemers wordt in Europa op 23 miljoen geschat, en het aantal onderbenutte werknemers op 45 miljoen. Welnu, indien België vandaag de economische crisis beter verdraagt dan een aantal van zijn Europese buren, is dat zeker wel te danken aan zijn systeem van sociale zekerheid en aan de kracht van zijn sociale dialoog. België wordt hierbij vaak als voorbeeld genoemd. Het gaat om een belangrijk voordeel dat behouden moet worden.

De werkelijkheid is echter veel erger in de ontwikkelingslanden: de meerderheid van de 900 miljoen werknemers die in armoede leven bevindt zich in die landen. Het Waardig Werkagenda zoals die door de IAO bepaald is, moet dan ook een essentiële pijler worden in het nieuwe ontwikkelingsmodel.

Ik heb van mijn recente ontmoeting met Guy Ryder, Directeur-generaal van de IAO, gebruik gemaakt om de vraag aan te snijden van de sociale bescherming en van het waardig werk. Ik ben er innig van overtuigd dat onze besprekingen over deze twee vragen moeten gaan: het bepalen van sterke sociale doelstellingen op basis van betrouwbare indicatoren.

Ten tweede moeten we ons uitrusten met een internationaal apparaat dat de opvolging en de responsabilisering (accountability) van alle betrokken actoren op zich neemt, zowel van de staten als van de actoren uit de privésector. Dat gaat via een toegenomen regulering van de internationale economische en financiële architectuur.

Ten slotte moeten we beschikken over een ambitieus en coherent financieringskader dat de doelstellingen aankan.

Dat zijn de boodschappen die ik mijn collega’s heb meegedeeld tijdens de informele raad van Dublin in februari.

Op vraag van verschillende lidstaten, waaronder België, heeft de EU zich verbonden tot de bevordering van de convergentie tussen de twee processen over de post-2015 ontwikkelingsdoelen en over de duurzame ontwikkelingsdoelen in navolging van de Rio +20-Conferentie.

Deze convergentie moet zowel in termen van proces als in termen van inhoud gebeuren om het nieuwe referentiekader voor ontwikkeling te worden, met een evenwicht tussen de drie dimensies van de duurzame ontwikkeling (sociaal, economisch en ecologisch).

Ik kan me hier alleen maar om verheugen, aangezien dit me de aangewezen weg lijkt indien we werkelijk een universele post-2015-agenda wensen te verkrijgen.

De recente mededeling van de Europese Commissie "een waardig leven voor iedereen" zal als basis dienen voor de besprekingen die in de volgende weken op Europees niveau plaats zullen hebben en die het mogelijk moeten maken om de gemeenschappelijke houding van de EU te bepalen met het zicht op de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september.

Deze werken hebben tot nu toe blijk gegeven van een integratiewens van de twee processen, met behoud van de nodige opening voor de dialoog met de internationale gemeenschap. Het is bijzonder belangrijk te luisteren naar de landen van het Zuiden en naar de wetenschappelijke wereld.

Deskundigen zullen ons vandaag doorheen dit omvangrijke onderwerp leiden, om de inzet van het debat post-2015 en de rol die België hierin kan spelen, beter te vatten.

Deze ochtend hebben we het voorrecht een uitzonderlijke gast in ons midden te hebben die een sleutelrol speelt in het internationale debat over het post-2015 kader. We zullen ook de mogelijkheid krijgen te luisteren naar de Belgische vertegenwoordigers van het parlement en van de civiele maatschappij, met name de ngo’s en de vakbonden, evenals naar de vertegenwoordigers van de gemeenschappen en gewesten.

Deze namiddag krijgen we de kans het debat en de gedachtewisseling en rond deze vraag verder te zetten tijdens verschillende workshops.

De eerste betreft de convergentie van de twee processen (post-MDG en duurzame ontwikkelingsdoelen, in één enkel universeel kader die voor alle landen relevant is en waarbij een gelijkschakeling naar boven toe wordt gewaarborgd.

De tweede richt zich op de financiering, verder dan de Officiële ontwikkelingshulp, om de nieuwe doelstellingen te halen. Zo moet deze financiering niet losgekoppeld worden van het debat over de nieuwe doelstellingen.

In een wereld waarin de Officiële ontwikkelingshulp slechts een minderheid van de financieringsstromen voor ontwikkeling vertegenwoordigt, wordt het fundamenteel dat alle actoren, publiek en privé, coherent zijn in het vervullen van de doelstellingen en in hun financiering. Dit om te vermijden dat wat er met de ene hand gegeven wordt met de andere opnieuw wordt afgepakt door een onsamenhangend beleid. Hier kom ik nog op terug.

Tot slot behandelt de derde workshop een centrale vraag in dit debat: de strijd tegen de ongelijkheid. Een van de grote zwakheden van de millenniumdoelen bestaat erin dat ze geen rekening hebben gehouden met de ongelijkheden tussen de landen, en binnen deze landen zelf.

Deze ongelijkheden zijn de laatste dertig jaar echter gestaag blijven toenemen, en dit ondanks de indrukwekkende groeicijfers die talrijke ontwikkelingslanden hebben gekend.

We moeten dan ook de mechanismen, die een duurzame, eerlijke en rechtvaardige ontwikkeling in de weg staan, identificeren en ze het hoofd bieden.

Vorig jaar waren de Staten-Generaal gericht op de uitdaging van de beleidscoherentie voor ontwikkeling. We hebben tijdens deze Staten-Generaal gehamerd op de nood aan een coherent beleid in de vijf prioritaire gebieden, zijnde voedselzekerheid, klimaatverandering, handel en financiën, migratie en veiligheid.

Deze vraag komt in het debat van vandaag tot zijn recht en zal zeker tijdens de verschillende workshops aan bod komen.

Dat is de reden waarom ik er een bijzondere zitting aan wenste te wijden, waartijdens ik me over deze vraag zal buigen samen met de Ministers-presidenten van de Vlaamse Regering en de regeringen van het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap, de heren Kris Peeters en Rudy Demotte. We zullen een stand van zaken opmaken van de vorderingen die in België geboekt zijn en de uitdagingen die ons nog te wachten staan.

Er rest me alleen u nog een uitstekende dag vol gedachte-uitwisselingen te wensen, die, naar ik hoop, ook rijk zal zijn aan voorstellen. Ik wil in dat opzicht graag een Afrikaans gezegde aanhalen: "Als de muziek verandert, moeten we ook de dans veranderen". De muziek is veranderd, dat kunnen we alleen maar vaststellen. We moeten dan ook een nieuwe dans uitvinden. En de reflectie rond het kader biedt ons die mogelijkheid.

I would already like to thank the speakers who have accepted our invitation to come here and stimulate the debate.

For my part, I will be very attentive to the results of your work, which I will discover with great interest at the closing session this afternoon.