Toespraak van minister Labille voor de Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen van de Senaat van DR Congo

Datum: 24 oktober 2013

Geachte Senatoren,
Geachte Volksvertegenwoordigers,
Dames en Heren,

Allereerst wil ik de geachte Senator Jean-Claude MOKENI bedanken om mij uit te nodigen om de Commissie voor Buitenlandse Betrekkingen van de Senaat toe te spreken.

Eveneens bedank ik de leden van de Commissie voor hun aanwezigheid, alsook de vertegenwoordigers van de Commissie voor Buitenlandse Betrekkingen van het Parlement.

Wat ik onderneem, is eerder zeldzaam. Het komt immers niet vaak voor dat een Minister zitting heeft in het parlement van een ander land.

Wat dat betreft, symboliseert mijn loutere aanwezigheid hier de sterke band die onze landen verenigt.

Ook het feit dat een Belgische minister van Ontwikkelingssamenwerking rekenschap aflegt aan het volk dat hij te hulp wenst te komen, is symbolisch.

Ik richt het woord tot u, vertegenwoordigers van het Congolese volk, om u te vertellen over onze samenwerking, onze betrekkingen en de wijze waarop wij hieraan in de loop van de volgende jaren gestalte willen geven.

Het is immers een feit dat onze betrekkingen zullen evolueren. Ook de manier waarop het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid wordt begrepen evolueert omdat de wereld voortdurend in beweging is.

We leven vandaag in een multipolaire wereld die volop in verandering is. Een multipolaire wereld, omdat de ontwikkelingslanden, door zelf donor te worden in het kader van een Zuid-Zuidsamenwerking, meer gewicht in de schaal leggen wat de architectuur van het internationale bestuur betreft.

Een wereld die volop in verandering is, omdat de actuele wereldwijde uitdagingen ons niet toelaten dezelfde recepten toe te passen als in het verleden.

Deze nieuwe internationale uitdagingen stellen zich in termen van wereldwijde publieke goederen en vereisen een wereldwijd bestuur. Dat bestuur moet gestoeld zijn op gemeenschappelijke ethische waarden en niet enkele op economische belangen. Het moet dan ook opgebouwd worden vanuit een hele waaier aan domeinen en er de samenhang van verzekeren: economisch, sociaal, milieugerelateerd enz.

Juist om het hoofd te bieden aan de enorme wereldwijde uitdagingen die zich stellen, hebben we een samenwerkingsbeleid nodig dat als katalysator kan dienen voor een internationaal partnerschap ten dienste van duurzame ontwikkeling.

Laten we ons ervan bewust zijn dat de positie van de openbare hulp in de financiering van de ontwikkeling sterk gewijzigd is in de loop van de voorbije jaren. Vandaag de dag vertegenwoordigt de openbare ontwikkelingshulp nog slechts een klein aandeel in de geldstromen die de ontwikkeling financieren: ongeveer 15% tegenover 60% in de jaren 60.

Toch blijft de openbare ontwikkelingshulp een belangrijke hulpbron voor vele landen, met name voor de armste landen. Ze blijft ook een meer voorspelbaar kanaal dan de privéstromen en is meer gericht op de meest kwetsbare bevolkingsgroepen. De privéstromen maken immers deel uit van een economische logica die soms strijdig blijkt te zijn met de ontwikkelingsdoelstellingen.

Een andere ontwikkelingsmotor is de internationale handel. De ontwikkelingslanden nemen een steeds belangrijkere plaats in binnen de internationale handel, maar met grote verschillen tussen de opkomende economieën aan de ene kant en de gemiddeld ontwikkelde landen aan de andere kant.

Deze evolutie impliceert de noodzaak om het niveau van de middelen voor openbare hulp te handhaven, maar ook om deze hulp doeltreffender te maken, onder andere door een verbeterde afstemming op de strategieën van de landen, harmonisering en coördinatie tussen donoren, met name op het niveau van de EU, en door wederzijdse verantwoordelijkheid.

Slechts op deze manier zullen we de twee fundamentele doeleinden van de Ontwikkelingssamenwerking kunnen bereiken, die we steeds weer moeten herhalen:

  • de strijd aanbinden met armoede en ongelijkheid door middel van een beleid van herverdeling van de rijkdom op internationaal niveau en
  • de economische ontwikkeling van de ontwikkelingslanden stimuleren via onder meer de landbouwsector, de plaatselijke industrieën en de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen, met respect voor sociale normen en milieunormen.

De versteviging van de burgermaatschappij, met inbegrip van vrouwenorganisaties en syndicale en mutualistische organisaties, vormt in dat opzicht een essentieel element en is strategisch nog meer van belang in de landen die in een kwetsbare situatie verkeren, waar ze kan bijdragen tot de uitbouw van een rechtsstaat.

Om de openbare ontwikkelingshulp de mogelijkheid te bieden haar dubbele rol te spelen, moeten we ons ervan verzekeren dat andere beleidslijnen de samenwerking niet tegenwerken.

Een coherent beleid is gebaseerd op de bevordering van verantwoordelijke en duurzame investeringen die de sociale normen en milieunormen respecteren, op het uitsluiten van misleidende handelspraktijken, op de strijd tegen onrechtmatige kapitaalstromen en de verbetering van het internationaal economisch en financieel bestuur.

Door onze gemeenschappelijke geschiedenis maakt de Democratische Republiek Congo van nature deel uit van de landen waarmee we bevoorrechte betrekkingen onderhouden. Die betrekkingen moeten we beter structureren, versterken en verder ontwikkelen.

België heeft de morele plicht en de verantwoordelijkheid om actief bij te dragen aan de ontwikkeling van de Democratische Republiek Congo. Het is mijn enige prioriteit om ervoor te zorgen dat de effecten van de Belgische hulp duurzaam zijn en volledig ten goede komen van de burgers.

Om dit te kunnen bereiken moeten we kunnen rekenen op de betrokkenheid van de Congolezen zelf.

In dat opzicht vind ik het belangrijk om onze hulp beter af te stemmen op uw beleid.

Dat is de partnerschapslogica waarin ik de Belgische Samenwerking meer wens te kaderen. De tijd van oplossingen die aan partnerlanden werden opgelegd is immers voorbij.

We moeten de samenwerkingsprojecten die we ondernemen, aanpassen aan het beleid van de Congolese overheden, die het best geplaatst zijn om hun behoeften te definiëren.

Met dat doel voor ogen heb ik afgelopen dinsdag met Minister Tshibanda het huidige samenwerkingsprogramma geëvalueerd.

De Democratische Republiek Congo is de belangrijkste partner van de Belgische Ontwikkelingshulp.

Congo neemt dus een essentiële plaats in binnen mijn dagelijks werk.

Congo is voor mij een dringende noodzaak aan actie, die geconfronteerd wordt met een paradox: de natuurlijke en menselijke rijkdom tegenover de onaanvaardbare materiële armoede van een te groot aantal Congolezen.

De omvang van de hulp is sinds een tiental jaren alleen maar gestegen. De enveloppe die ons werd toegewezen voor de periode 2010-2013 bedraagt 300 miljoen euro.

De voornaamste sectoren van rechtstreekse bilaterale samenwerking zijn landbouw, landelijke ontsluiting (paden, veerponten en kleine waterwegen), technische scholing en beroepsopleiding.

De beoogde geografische zones zijn de Provincies Bandundu, Orientale, Oost-Kasaï, Maniema, Katanga en de Evenaarsprovincie.

De Ambassadeur van België, die ik bedank voor zijn werk, zal u alle informatie ter beschikking stellen met betrekking tot de Belgische Ontwikkelingssamenwerking.

Toch is niet alles rozengeur en maneschijn. Minister Tshibanda en ikzelf hebben aanzienlijke vertragingen moeten vaststellen die de laatste maanden zijn ontstaan bij de uitwerking van heel wat projecten.

Toen ik begon op het departement voor ontwikkelingssamenwerking was maar dertig procent van de voorziene middelen ingezet.

Sinds mijn eerste missie in maart vorig jaar ben ik met mijn collega Tshibanda overeengekomen dat we ons zouden inspannen om de omvang van de ingezette middelen te vergroten. Op dit moment bedraagt deze 63%.

Het is in ieder geval beter, maar het blijft onvoldoende.

De reden voor de vertragingen ligt bij het slecht functioneren van zowel Congolese als Belgische structuren.

Dhr. Tshibanda en ikzelf zijn ons hier ten volle van bewust en we vinden het allebei belangrijk om deze situatie met een nuchtere, onderzoekende blik te bestuderen.

Want begrijpen is vooruitgang boeken.

Als er trouwens nood zou zijn aan een bewijs van de volwassenheid van de betrekkingen tussen beide landen, zou ik er geen beter kunnen vinden: op geen enkel moment werd er tijdens die evaluatie geprobeerd de schuld bij de ene of de andere te leggen.  We wensen allebei zo veel mogelijk te doen ten dienste van de Congolese bevolking.

Gedurende een volledige dag hebben de Belgische en de Congolese overheden samen onderzocht hoe het geld dat België voor Congo voorbestemt snel, efficiënt en duurzaam op het terrein aangewend kan worden.

Wij zijn erg tevreden met het resultaat van deze inspanningen.

We hebben beslissingen genomen met betrekking tot de openbare aanbestedingsprocedures, de Ondertekening van de Bijzondere Overeenkomsten, de concentratiegebieden en -sectoren en de Stroomlijning van de Procedures.

Het is de eerste keer dat we op deze manier te werk gaan, namelijk door een stappenplan uit te werken dat ons in staat stelt de uitvoering van het huidige samenwerkingsprogramma te verbeteren. Dat was mogelijk doordat onze verstandhouding tegenwoordig volwassen genoeg is en omdat zowel Congolezen als Belgen er zich volledig van bewust zijn dat als we de toekomst willen verbeteren, we eerst het heden moeten doen functioneren.

In dezelfde geest hebben we de sectoren aangehaald die gedekt zouden kunnen worden door het volgende Samenwerkingsprogramma. En hoewel het nog maar een eerste aanzet is tot een denkoefening die noodzakelijkerwijs zal moeten worden gemaakt zodra de uitvoering van het huidige Programma volledig actief is, zijn we het er nu al over eens dat de Belgische samenwerking nieuwe projecten binnen de gezondheidssector zal moeten bevatten. De behoeften zijn er erg groot en de Belgische expertise in de gezondheidssector moet in de Democratische Republiek Congo een gezondheidssysteem tot stand helpen brengen dat in staat is alle Congolese burgers te beschermen tegen de risico’s die verbonden zijn aan de meest goedaardige ziekten.

Ik heb een gemengde Commissie bijeengeroepen die begin 2014 gehouden zal worden om het werk voort te zetten op basis van dit stappenplan, dat voor verandering vatbaar moet blijven en de koers moet vastleggen voor het volgende samenwerkingsprogramma.

Zoals ik al heb aangegeven moet ons partnerschap steunen op een gemeenschappelijke filosofie die erin bestaat de ontwikkeling duurzaam tot stand te brengen.

Ik ga open kaart met u spelen. Misschien in tegenstelling tot andere partners wil België geen gebruik maken van ontwikkelingshulp om zich een goed geweten te kopen. Dat is een bijzonder aspect van onze relatie waaraan ik erg veel belang hecht.

Voor mij is ontwikkelingshulp een van de meest concrete uitdrukkingen van Solidariteit. Omdat die hulp, ver verwijderd van ons dagelijks leven, in essentie belangeloos is. Het is juist in het belang van de bevolkingsgroepen die we te hulp willen komen dat de samenwerking op een doeltreffende en coherente manier verloopt.

Omwille van dezelfde reden moeten we de Belgische hulp concentreren op een beperkt aantal sectoren. Door onze middelen te concentreren, garanderen we een hogere mate van doeltreffendheid.

Om vast te leggen waar we moeten ingrijpen, moeten we dus de vraag stellen waar onze hulp het nuttigst zou zijn en het meest aansluit bij de behoeften van de Congolese bevolking.

We kunnen onze hulp ook efficiënter en duurzamer maken door de harmonisering en coördinatie tussen donoren, met name op het niveau van de Europese Unie.

We moeten toegeven dat een dergelijke coördinatie op dit moment niet bestaat. Elk Europees land heeft zijn eigen specifieke projecten en bekommert zich niet om die van zijn buurlanden. Dat is een punt van kritiek aan het adres van de bijdragende landen. We moeten dit veranderen.

Het is een feit: Afrika ligt vlak bij Europa, maar het blijft al te vaak afwezig op de debatten van de Europese Raad.

Europa moet dringend zijn relatie met Afrika heropbouwen.

Europa heeft zijn afspraak met de Arabische Lente gemist. Als Europa het welzijn van zijn eigen bevolking niet in gevaar wil brengen, mag het de opkomst van Afrika niet missen.

Want ik ben er zeker van: Afrika zal hét continent zijn van de 21e eeuw.

Dit is het continent dat wereldwijd de grootste demografische toename kent en waarvan de helft van de bevolking jonger is dan 25 jaar.

Europa heeft Afrika nodig en Afrika heeft Europa nodig. Ons lot is met elkaar verbonden. In het teken van die band moet Europa de situatie in het gebied van de Grote Meren ter harte nemen.

Dat gebied, waarvan de Democratische Republiek Congo deel uitmaakt, vormt het hart van Afrika. En opdat de rest van het lichaam zou kunnen volgen, is het van essentieel belang dat het hart in goede gezondheid verkeert.

Dit Afrikaanse gebied beschikt over een menselijk, economisch en cultureel potentieel dat zich maar al te graag wil openbaren. En Europa in zijn geheel moet hierbij helpen.

Het is voor dit doeleinde dat ik in naam van België het voorstel heb gedaan om met de Europese staten en de andere geldschieters een “Programma voor het herstel van Centraal-Afrika” op te stellen, naar het voorbeeld van wat de VS in 1947 voor Europa deden via het beroemde Marshallplan.

Het gaat erom een plan op te stellen om te helpen bij de duurzame heropbouw van heel Centraal-Afrika.

Dat plan moet steunen op de verdeling van een gedeelte van de middelen die de Europese lidstaten aan ontwikkelingssamenwerking in dit gebied besteden en het moet strategische pijlers helpen financieren die uitgewerkt zijn door de landen van het gebied zelf.

Via die coördinatie van de Europese middelen en de uitwerking van een meer strategische ontwikkeling, moeten we een dynamiek van verandering op gang brengen die elke burger die in het gebied van de grote meren woont in staat moet stellen in zijn dagelijks leven een sociaal-economische vernieuwing te zien, en de hoop op een betere toekomst.

Ik wil twee punten benadrukken:

  1. Dit programma wil op elk vlak inclusief zijn. Elke staat in het gebied moet in zijn totaliteit kunnen profiteren van de politieke gevolgen ervan. Er is dus op geen enkele manier sprake van een mogelijke balkanisering.
  2. Het succes van het plan steunt vooral op de capaciteit van de begunstigde staten om hun strategische pijlers vast te leggen, die een structurerend effect zullen hebben op het sociaal-economisch weefsel. Daarom moet elke staat vooraf zijn belang te kennen geven om een actieve rol te spelen in de uitwerking van dit plan. Alleen op die manier zal dit initiatief succesvol zijn.


Dit brengt me bij het volgende essentiële punt: vrede. We moeten absoluut zonder uitstel vrede tot stand brengen én in stand houden.

Geen vrede zonder ontwikkeling, maar er kan ook geen ontwikkeling zijn zonder vrede.

Tijdens mijn laatste missie in de Democratische Republiek Congo ben ik mij volledig bewust geworden van het humanitaire drama dat zich afspeelt in het oosten van Congo. Vrouwen, kinderen en ouderen leven er in complete armoede, ten prooi aan erg gewelddadige en onvoorspelbare gevechten.

De actualiteit toont het nogmaals aan: het zijn de lokale bevolkingsgroepen die de belangrijkste slachtoffers zijn van dit geweld en deze onstabiliteit. Alle actoren moeten dit geweld een halt toeroepen en bijdragen aan de inspanningen die reeds werden gedaan: het kaderakkoord van Addis Abeba, de versterkte rol van de Interventiebrigade binnen de MONUSCO et de aanstelling van Speciaal Gezant Mary Robinson, die erop gericht zijn de inspanningen voor een duurzame oplossing in het hele gebied te coördineren.

Dankzij deze elementen krijgt men vandaag eindelijk zicht op stabiliteit en veiligheid in het oosten van Congo, opdat we samen de ontwikkeling van het hele gebied, van Kinshasa over Bujumbura tot Kigali, kunnen voortzetten.

Ongeveer 967.000 mensen zijn Noord-Kivu ontvlucht wegens het geweld. 300.000 onder hen zijn naar Goma en omliggende gebieden gevlucht.

Ik heb Mugunga I bezocht, een kamp dat spontaan is opgericht toen het geweld vorig jaar losbarstte. Op een jaar tijd zijn er 55.000 mensen ondergebracht en bij ieder incident komen er golven nieuwe vluchtelingen bij.

Voor de burgers betekent deze onzekerheid voortdurende onveiligheid die de ontwikkeling van de rest van het land blokkeert.

De mannen, vrouwen en kinderen in het gebied van de Grote Meren eindelijk weer een toekomst geven, mag niet belemmerd worden door de logheid van de diplomatie. Internationale druk is nodig om vooruitgang te boeken. Die druk is van vitaal belang om de partijen ervan te helpen overtuigen dat vrede altijd voordeliger is dan oorlog en geweld.

Congo heeft buren. Of men het wil of niet, deze buurlanden zullen er altijd zijn. Congo kan zich niet volledig ontplooien zolang het het oosten als een dreiging beschouwt. In tegendeel, de buurlanden van Congo moeten begrijpen dat de grenzen van Congo onaantastbaar zijn en dat de natuurlijke rijkdommen van Congo het land toebehoren. Deze territoriale integriteit kan in geen enkel geval ter discussie gesteld worden.

In naam van de principes van solidariteit die de internationale betrekkingen regelen, is het onontbeerlijk dat de Internationale Gemeenschap de situatie ter harte neemt, onmiddellijk actie onderneemt om tegelijk een duurzame vrede tot stand te brengen, en werk maakt van de economische ontwikkeling van de regio. Ik leg me er dan ook op toe de situatie in het gebied van de Grote Meren op de internationale agenda te krijgen.

Want de internationale gemeenschap kan niet werkeloos toezien.

Om dichter bij de realiteit op het terrein te komen, zou de internationale gemeenschap bijvoorbeeld de huidige rol van de MONUSCO kunnen herzien om deze de opdracht te geven te controleren wat er in de mijnen gebeurt (kinderhandel en kinderarbeid).

Ik heb de twee Europese Commissarissen Georgieva en Peibalgs ontmoet, evenals verscheidene Europese Collega’s (D, FR, NL, Lux, Ita) Ze zeiden allemaal hetzelfde: “jullie Belgen zijn het best geplaatst om de belangen van dit gebied te verdedigen. Niemand anders in Europa is in staat om dat te doen."

Geloof me: als België niet vecht voor dit gebied, zal niemand het doen. Achter de schermen zet België zich dus in om de kwestie op de agenda te krijgen van de Europese Raad van Ministers. Want de situatie in het gebied van de Grote Meren ter sprake brengen, dat komt erop neer dat men deze situatie ook ter harte neemt.

Het werk van de Internationale Gemeenschap moet volgens mij op drie onlosmakelijk met elkaar verbonden pijlers berusten:

  • een regionale aanpak. Een duurzame bloei van de landen van Centraal-Afrika kan er enkel komen als deze op een collegiale manier tot stand komt.  De ECGLC lijkt me het geschikte instrument om dit doel te bereiken. De ECGLC is een intergouvernementeel forum. Elke staat heeft dus de mogelijkheid om te beslissen met hoeveel ambitie hij eraan bijdraagt. Een ander voordeel is dat het een synthese vormt van de verschillende regionale organisaties die actief zijn in het gebied.
  • de toe-eigening van de oplossingen door de staten zelf. Het is van belang te evolueren van een paternalistische relatie naar een logica van partnerschap. Opdat een oplossing doeltreffend zou zijn, moet erover worden nagedacht en moet ze worden gedefinieerd door de landen waarop ze gericht is.
  • de coherentie van de hulp van de donorlanden. We moeten ons terecht afvragen welke vorm de ontwikkelingshulp in de toekomst moet krijgen. Als we de middelen bekijken die de internationale gemeenschap de voorbije 20 jaar ter beschikking heeft gesteld van de Democratische Republiek Congo, kunnen we niet anders dan vaststellen dat ze niet hebben gezorgd voor een duurzame ontwikkeling van het land, ten gunste van de bevolking. Het gaat niet om de vraag “hoeveel we moeten geven”, maar “hoe we moeten helpen”.

De Democratische Republiek Congo is een jong land dat een toekomst wenst op te bouwen waarvan het heer en meester is.

België moet hierbij helpen door alle hervormingen te steunen en aan te moedigen die erop gericht zijn de levensomstandigheden van de mannen en vrouwen in dit land te verbeteren en de mensen toekomstperspectieven te bieden, in welke situatie ze ook verkeren.

Want ondanks de doorstane beproevingen en de ontgoochelingen blijft het Congolese volk hoopvol en houdt het de moed om actie te ondernemen. Alle beproevingen die u de voorbije eeuw heeft doorstaan hebben uw dorst naar vooruitgang niet kunnen overwinnen en dat is maar goed ook want er moet nog heel wat gerealiseerd worden.

Daar gaat het uiteindelijk om: aan de Congolese burgers de mogelijkheid geven het hoofd op te richten, recht vooruit te kijken en opnieuw vol vertrouwen te zijn.

En wees gerust, wat dat betreft, kunt u België als een eeuwige partner van de Democratische Republiek Congo beschouwen.

Ik zou (voorlopig) willen afsluiten met een citaat van de grote Jean Jaurès: "Het is door naar de oceaan te stromen dat de rivier trouw blijft aan haar bron”.

Welnu, wat ons betreft, is het door onze krachten te bundelen om een voorspoedige, op de toekomst gerichte rechtsstaat tot stand te brengen, dat we trouw zullen blijven aan onze morele en humanistische verplichtingen tegenover het prachtige Congolese volk, dat ik een bijzonder warm hart toedraag.

Hartelijk dank.