Toespraak minister Labille op de DGD-Dagen

Datum: 03 mei 2013

Mijnheer de Directeur-Generaal,
Dames, heren,
Beste collega’s van de ontwikkelingssamenwerking,

Vooraleer u met uw werkzaamheden zou aanvangen, wenste ik tot de opening van uw contactdagen over te gaan om een fundamenteel element van mijn beleid, dat u gisteren al aansneed, met u te delen: de integratie van het Belgische federale systeem van de ontwikkelingssamenwerking.

Een belangrijke mijlpaal werd hierbij zojuist bereikt, aangezien de nieuwe wet op de ontwikkelingssamenwerking in het Staatsblad werd gepubliceerd, en op 19 maart laatstleden dus in werking is getreden.

Jean-Pascal Labille

Hoewel ze de algemene doelstelling van de duurzame menselijke ontwikkeling via de armoedebestrijding behoudt, is de benadering van de op rechten gebaseerde Belgische ontwikkelingssamenwerking radicaal vernieuwend. De economische, sociale en culturele rechten (gezondheid, onderwijs, waardig werk, huisvesting, voeding,…), de burger- en politieke rechten (niet-discriminatie, vrijheid van meningsuiting…) en het recht op ontwikkeling staan hierbij centraal, en rechtvaardigen de inspanningen die voor een vrijere, meer gelijke en meer hartelijke wereld geleverd moeten worden. De crisis verplicht er ons echter toe de gegrondheid van de ontwikkelingssamenwerking aan de publieke opinie en aan het Parlement te bewijzen.

In overeenstemming met de nieuwe paradigma’s van de ontwikkelingssamenwerking, integreert de wet vele vernieuwende elementen. Ze wil de ontwikkelingshulp effectiever, efficiënter en duurzamer maken door een betere democratische toe-eigening van hun ontwikkelingsbeleid en strategieën en van de samenwerkingsinterventies door de partners zelf, met de betrekking van de organisaties van de lokale civiele maatschappij. Mijn Congoreis heeft me aangetoond hoe belangrijk de uitdagingen terzake zijn, en verplichten ons hier snel een antwoord op te bieden. Mijn volgende reizen hebben als doelstelling deze gezamenlijke vereiste van efficiëntie, toe-eigening en duurzaamheid met onze Congolese partners concreet uit te werken.  

Er is absoluut nood aan een betere afstemming op het beleid van de partnerlanden. Zij zijn voor hun eigen ontwikkeling verantwoordelijk en ze moeten dus de eerste controle op zich nemen door hun bestuur te verbeteren. Wij moeten hier echter tot bijdragen, door hun menselijke, organisationele en institutionele capaciteiten te versterken, een centrale doelstelling van onze tussenkomsten. Uw mandaat bestaat ook uit een betere coördinatie tussen onder meer de Europese donateurs, een meer resultaatgerichte benadering en rekening houden met de klimaatverandering en met de drie pijlers van de duurzame ontwikkeling (economisch, sociaal en ecologisch). Graag dring ik erop aan dat u hieraan de nodige aandacht besteedt.

Ik heb me ook bij de wens van mijn voorganger aangesloten om van de steun aan micro-, kleine en middelgrote lokale ondernemingen en meer algemeen aan de ontwikkeling van de lokale privésector van onze partnerlanden een as van onze samenwerking te maken. Wanneer we inderdaad vaststellen dat de ODA in 35 jaar is geslonken van 70% naar 13% van de financiële stromen naar de ontwikkelingslanden, en dus veruit voorbijgestoken wordt door de Directe Buitenlandse Investeringen en de overdracht van de migranten naar hun families, komen we terug op het gebruik van de ODA als hefboom voor interventies van andere actoren, en is de privésector zeker een essentiële speler in de ontwikkeling van onze partnerlanden. Maar ik heb er natuurlijk op aangedrongen dat onze samenwerking hier aandacht voor zou hebben, zonder zich tot de sociale economie te beperken, en opdat ze in lijn zou zijn met de principes van de sociale bescherming die voortvloeien uit de Verdragen van het IAO. Ik heb trouwens van mijn recente ontmoeting met Guy Ryder, Directeur-Generaal van het IAO, gebruik gemaakt om de vragen aan te snijden rond de sociale bescherming en het degelijk werk in het kader van de post-2015-agenda. Ik pleit hier voor een sociaal sterke agenda die op betrouwbare indicatoren steunt.

De wet biedt eindelijk een wettelijke basis voor de humanitaire hulp waarop ik later zal terugkomen, en voor de beleidscoherentie voor ontwikkeling. Wij stellen momenteel een mechanisme van Beleidscoherentie voor Ontwikkeling (PCD) op. De DGD moet hierin een voortrekkersrol spelen door vanaf vandaag de voorbereiding en het secretariaat op zich te nemen van de toekomstige Interministeriële Conferentie voor Beleidscoherentie voor Ontwikkeling en van de Interdepartementale Commissie, die alle betrokken Belgische administraties zal verenigen. Met steun van een onafhankelijk overlegcomité moet de DGD centraal staan in het proces en voor de nodige dynamiek zorgen. Ze moet samen met de andere Federale departementen bijdragen tot het opstellen van een licht, geïnte-greerd, effectief en efficiënt mechanisme dat de impact van het beleid op de ontwikkeling meet. Het is voor de DGD een nieuw werf waar ik bijzondere aandacht voor heb en waar u, zonder enige twijfel, de nodige inspanningen aan zal wijden.

De wet bezorgt alle actoren van de Belgische samenwerking de Belgische visie inzake Ontwikkelingssamenwerking voor het volgende decennium. Het is een moderne visie die op solidaire en progressieve principes steunt. Ze is de basis voor het Koninklijk Besluit tot herziening van de subsidiemodaliteiten van de ngo’s, universiteiten, steden en gemeenten, vakbonden en andere actoren van de niet-gouvernementele samenwerking, die op 29/03/2013 door de Ministerraad is goed-gekeurd en nu voor advies aan de Raad van State is voorgelegd. Andere belangrijke herzieningen zijn lopende en zullen ook op de wet steunen. Voorbeelden hiervan zijn de herziening van het mandaat en de rol van de Belgische investeringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (BIO), de uitvoering van een nieuw beheerscontract met de Belgische Technische Coöperatie (BTC) en de herziening van het Koninklijk Besluit betreffende de Humanitaire hulp.

Volgens de aanbevelingen van de Peer Review van het Development Aid Committee van de OESO, moet de architectuur van de Belgische samenwerking ook beter. Het gaat natuurlijk niet om het verwisselen van de onderlinge rollen en verantwoordelijk-heden.

De DGD is de administratie die belast is met de voorbereiding van het beleid en de strategieën van de federale Belgische samenwerking. Wanneer die door de politieke autoriteit goedgekeurd zijn, is de DGD belast met de uitwerking ervan. Volgens de prioriteiten van het beleid moet de DGD al haar krachten inzetten, zowel in Brussel als in onze ambassades. Uw fundamenteel mandaat is nu de politieke dialoog met de autoriteiten van de partnerlanden, zonder daarbij de brede voortdurende consultatie te vergeten van de vertegenwoordigers van de Commissie en van de lidstaten van de Europese Unie, van de organisaties die de Belgische civiele maatschappij en die van onze partnerlanden vertegenwoordigen: ngo’s, vakbonden, mutualiteiten, maar ook vertegenwoordigers van de deelstaten en van hun organen van de ontwikkelingssamenwerking, van de universiteiten en van wetenschappelijke instellingen enz. Gesteund door de medewerkers van de centrale administratie, hebben de ontwikkelingsattachés als basisopdracht de Gemengde Commissies en de nieuwe Samenwerkingprogramma’s voor te bereiden, en daarna de opvolging ervan op politiek en strategisch niveau te verzekeren. Het gaat dus duidelijk om diplomatiek werk dat zich in ontwikkelingssamenwerking specialiseert.

U heeft ook als taak de sleutelboodschappen van België over te dragen binnen de multilaterale partnerinstellingen, die we vandaag zoveel mogelijk met niet-geaffecteerde fondsen financieren. We moeten ons inderdaad de middelen geven om de dividenden van dit ‘core funding’-beleid beter te innen en om de invloed van België te vergroten op het beleid van de multilaterale organisaties die we steunen.

U bent daarnaast ook verantwoordelijk voor de opvolging van de niet-gouvernementele samenwerking en moet in de mate van het mogelijke de samenwerking tussen de Belgische organisaties onderling stimuleren, onder de vlag van hun lokale partners. U heeft als taak hun samenwerking met de Belgische gouvernementele samenwerking, de BTC, BIO en het Belgische Fonds voor Voedselzekerheid (BFVZ) aan te moedigen. De zoektocht naar complementariteiten, synergieën, werkverdeling, moet de leidende gedachte worden van de Belgische samenwerking, waarvan we de betekenis, het ‘samenwerken’, niet mogen vergeten.

De BTC is de entiteit die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de interventies van de gouvernementele samenwerking. Haar rol bestaat er dus in de entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de partnerlanden te steunen bij het identificeren van de interventies die moeten worden gesteund door de Belgische samenwerking, om ze te formuleren, om ze te implementeren en om de opvolging-monitoring ervan te verzekeren. De ‘hands off’-samenwerking is veel moeilijker dan de substitutiesamenwerking van weleer, waarvan de duurzaamheid echter twijfelachtig is. Vaak nemen de lokale partners inderdaad de leiding die hen is toegewezen niet op zich. Vaak zijn de partnerinstellingen zwak en onze portefeuille van partnerlanden bestaat inderdaad voor de goede helft uit minst ontwikkelde landen (MOL's), waarvan er vele in een kwetsbare situatie verkeren.

In tal van situaties moet de BTC hard strijden voor de versterking van de institutionele, organisatorische en menselijke capaciteit van onze partners, opdat ze geleidelijk aan hun verantwoordelijkheden zouden kunnen opnemen. Dit vereist innovatieve benaderingen. We moeten deze uitdagingen proactief aanpakken. De hiermee verbonden risico’s en de gepaste antwoorden hierop moeten ook duidelijk bepaald worden. Dit vereist waarschijnlijk een aantal veranderingen binnen de BTC zelf, in haar benaderingen en beheermethodes.

Het mandaat van BIO wordt momenteel herzien. De Belgische ontwikkelingssamenwerking heeft behoefte aan een financieringsinstrument voor de micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, onder meer via risicokapitaal. Zoals ik al zei, is de bijdrage van de lokale particuliere sector onmisbaar voor de ontwikkeling van onze partnerlanden. En BIO moet in staat zijn om deze specifieke rol te spelen, bewust zijnde dat ze de ter beschikking gestelde kapitalen niet moet verkwanselen, en het besef van het belang van haar investeringen voor de ontwikkeling. Er moet bijvoorbeeld meer aandacht gaan naar de ex-ante-evaluatie van de sociale en ecologische verantwoordelijkheid van ondernemingen die genieten van deelnames of van leningen door BIO. De instrumenten die ter beschikking van BIO worden gesteld moe-ten gemoderniseerd worden, en een beheerscontract zou een nuttige vervanging zijn voor de verschillende overeenkomsten en avenanten die de regels voor het gebruik van elk van deze BIO-fondsen voor-schrijven: infrastructuur, ondernemingen, studies, enz.

Ten slotte kan BIO niet blijven investeren in Intermediaire Fondsen in belastingparadijzen. Ik heb BIO gevraagd een einde te stellen aan de investeringen in deze offshore-centra en een progressieve phase-out strategie voor te bereiden.

Het Belgisch Fonds voor Voedselzekerheid is een parlementair initiatief. Het Parlement oefent dus gezag uit over zijn strategie. Maar net als bij andere intervenanten van de Belgische federale samenwerking, moe-ten de strategieën die de administratie aan het Parlement voorstelt geïntegreerd en complementair zijn en toegevoegde waarde bieden. De ‘holistische’ benadering die het BFVZ zo dierbaar is, moet tot het geheel van de Belgische samenwerking worden uitgebreid. Er moet een debat komen rond de geografische interventiegebieden, de methodologieën die nodig zijn voor de verankering van de complementariteiten en de synergieën met de andere domeinen en intervenanten van de Belgische samenwerking. Dit om te komen tot de beste mogelijke integratie van het BFVZ in het algemene kader van de Belgische federale samenwerking.

Hoewel zijn specifieke doelstelling uiteraard moet worden gehandhaafd, zal de geografische concentratie in de partnerlanden van de Belgische gouvernementele of niet-gouvernementele samenwerking zorgvuldig worden onderzocht, met het oog op zoveel mogelijk complementariteiten en schaalvoordelen. Zo zou het Fonds op een betere manier ingezet kunnen worden om bijvoorbeeld de overgang te vergemakkelijken tussen de noodhulpinterventies rond voedsel en het herstel van de interventies van ontwikkelingssamenwerking.

Gisteren opende u deze contactdagen met de architectuur van de federale Belgische ontwikkelingssamenwerking. Vandaag zet u uw werk verder met de humanitaire hulp.

De humanitaire hulp beantwoordt de noodzaak om levens te redden en om het lijden van de slachtoffers te verlichten, zonder enige andere reden dan het behoud van de menselijke waardigheid. Hoewel dit mandaat nog steeds relevant is en blijft, verandert de context waarbinnen humanitaire hulp wordt geleverd, omdat de situatie zelf, op het terrein, verandert.

Terwijl sommige crisissen aanhouden, verschijnen er plotseling andere. In 2013 zal de Belgische humanitaire hulp op vier conflictgebieden gericht blijven, zijnde Centraal-Afrika, de Sahel, Syrië en Palestina. Er zal meer bescheiden hulp worden geboden aan Afghanistan, Soedan en Zuid-Soedan. In de overgrote meerderheid van deze crisissituaties blijft de toegang van slachtoffers tot humanitaire hulp een belangrijke vraag. Zonder respect, zonder behoud van een ‘humanitaire zone’, is de verdeling van de steun des te ingewikkelder. We zien dit onder meer in Syrië, waar ambulances geregeld worden aangevallen uit minachting voor het Internationaal Humanitair Recht en de beginselen van het humanitair optreden.

Hoewel we helaas niet in elke crisis kunnen ingrijpen, moet de Belgische samenwerking snel, efficiënt en flexibel kunnen reageren. Geconfronteerd met de ontwikkelingen op het terrein, is het noodzakelijk om het juridische kader bij te werken waarbinnen de Belgische hulp wordt toegewezen. Het Koninklijk Besluit van 1996 betreffende noodhulp en hulp voor rehabilitatie op korte termijn is niet meer in lijn met de internationale ontwikkelingen en de behoeften op het terrein: de nieuwe wet ontwikkelingssamenwerking is nu in werking getreden; er is meer flexibiliteit nodig in de toewijzing van middelen; de hulpeffectiviteit moet worden verbeterd. Het is in dit perspectief dat, na overleg met de actoren van de humanitaire hulp, een nieuw ontwerp van Koninklijk Besluit binnenkort ter goedkeuring aan de Ministerraad zal worden voorgelegd.

Het overleg met de actoren van de humanitaire hulp heeft de bespreking van de ‘Belgische strategie rond humanitaire hulp’ mogelijk gemaakt. Dit document zal het vademecum zijn van de medewerkers van de DGD en van de attachés van de ontwikkelingssamenwerking op post. Het zal helpen in de harmonisering van onze aanpak van de crisissen en bij de analyse van de antwoorden die de Belgische ontwikkelingssamenwerking kan bieden. De nieuwe wetgeving zal dan ook gepaard gaan met de Belgische strategie, en ze zullen elkaar wederzijds versterken.

De humanitaire bijstand zal op vier manieren verleend kunnen worden: via projecten, programma's, niet-geaffecteerde financiering (core-funding) en de flexibele fondsen. Er zal prioriteit worden gegeven aan activiteiten met betrekking tot complexe crisissen, zoals de Sahel, de regio van de Grote Meren en de bezette Palestijnse Gebieden. Ik zal dan ook met grote belangstelling kennis nemen van de conclusies van uw werksessies van deze ochtend hieromtrent. Een deel van de humanitaire hulp zal ook worden besteed aan meer specifieke crisissen zoals Syrië. En het zal nog steeds mogelijk zijn om geld vrij te maken voor plotse crisissen, natuurlijk in de mate van de beschikbare budgettaire middelen.

Op thematisch vlak zal België blijven voortbouwen op de ervaring die is opgedaan en die ons in staat stelt om ‘een verschil te maken’ en om ‘toegevoegde waar-de’ te bieden. Onze hulp zal gericht blijven op voedselzekerheid, de bescherming van slachtoffers met bijzondere aandacht voor kinderen, de voorbereiding op rampen, de logistieke coördinatie, de seksuele en reproductieve gezondheid, de gendergelijkheid, en ten slotte de versterking van de civiele maatschappij en van de lokale overheid. Ik heb recent de gelegenheid gehad deze kwesties in Genève aan te snijden tijdens mijn bezoek aan Peter Maurer, Voorzitter van het Internationale Comité van het Rode Kruis, en aan Antonio Guterres, Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties.

Een antwoord bieden op de humanitaire noden van deze bevolkingen, en in het bijzonder voor de vele vrouwen die het slachtoffer zijn van deze Syrische crisis is essentieel, maar zal niet volstaan. De internationale gemeenschap is als geheel verantwoordelijk voor de naleving van het Internationaal Recht, met inbegrip van het Internationale Humanitaire Recht. Om de steun van België aan de terugkeer van de vrede in deze regio kracht bij te zetten, zal ik begin juli naar Goma en Bukavu reizen voor een ontmoeting met zowel slachtoffers van dit geweld als met de humanitaire actoren, wier dagelijks werk erin bestaat hun mandaat op de meest neutrale, onpartijdige en onafhankelijke mogelijk manier te vervullen. Maar het oplossen van deze problemen zal uiteraard via de politieke en diplomatieke weg moeten gaan.

Dit geldt ook voor Mali, waar, zoals u begrepen heeft, het bieden van humanitaire hulp zonder steun aan de wederopbouw van de Staat zou neerkomen op een pleister op een houten been. De hulp op zich versterkt de kwetsbare situaties alleen maar. U heeft de gelegenheid om dit deze namiddag te bespreken door te onderzoeken hoe we onze strategieën van de ontwikkelingssamenwerking kunnen aanpassen aan zowel kwetsbare situaties als aan de landen die vandaag over meer middelen beschikken om  hun ontwikkeling in eigen handen te nemen.

Ik wens u veel werkvlijt tijdens deze contactdagen van de ontwikkelingssamenwerking, en zal niet nalaten volgende week te komen luisteren naar het verslag van uw werkzaamheden. 

Ik dank u voor uw aandacht en sta nu tot uwer beschikking om een paar vragen te beantwoorden.